| J U S T E L - Geconsolideerde wetgeving | ||||
| Einde | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef |
| Parlementaire werkzaamheden | Inhoudstafel | 266 uitvoeringbesluiten | 24 gearchiveerde versies | |
| Franstalige versie | ||||
| belgiëlex . be - Kruispuntbank Wetgeving | ||||
| Raad van State | ||||
| Titel |
|---|
|
7 DECEMBER 1998. - Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd
op twee niveaus. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-01-1999 en tekstbijwerking tot 07-08-2008) Bron : EERSTE MINISTER Publicatie : 05-01-1999 Inwerkingtreding : 05-01-1999 (ART. 1 - ART. 2) *** 05-01-1999 (ART. 5) *** 01-01-1999 (ART. 121 - ART. 127) *** 01-01-1999 (ART. 130 - ART. 133) *** 01-01-1999 (ART. 139) *** 01-01-1999 (ART. 141 - ART. 142) *** 01-01-1999 (ART. 197) *** 01-01-1999 (ART. 198,2$ - ART. 198,3$) *** 01-01-1999 (ART. 198,6$) *** 01-01-1999 (ART. 245) *** 01-01-1999 (ART. 258) *** 01-01-2000 (ART. 4) *** 01-01-2000 (ART. 6 - ART. 8) *** 01-01-2000 (ART. 11) Dossiernummer : 1998-12-07/31 |
| Inhoudstafel | Tekst | Begin |
|---|---|---|
|
Art. 1 TITEL I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen. Art. 2-5 HOOFDSTUK II. - De federale politieraad. Art. 6-7 HOOFDSTUK III. - De adviesraad van burgemeesters. Art. 8 TITEL II. - De lokale politie. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Afdeling 1. - De politiezones. Art. 9-11 Afdeling 2. - De politieraad en het politiecollege. Onderafdeling 1. - Samenstelling van de politieraad en van het politiecollege. Art. 12-18, 18bis, 18ter, 18quater, 19-20, 20bis, 21, 21bis, 21ter, 21quater, 22, 22bis, 23-24 Onderafdeling 2. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van de politieraad en van het politiecollege. Art. 25-29, 29bis, 30-32, 32bis Onderafdeling 3. - Budgettair en financieel beheer. Art. 33-34, 34bis, 34ter Afdeling 3. - De zonale veiligheidsraad. Art. 35-37 Afdeling 4. - Personeel en begroting. Art. 38-41, 41bis HOOFDSTUK II. - Gezag en leiding. Art. 42-46 HOOFDSTUK III. - Personeel. Art. 47-60 HOOFDSTUK IV. - Opdrachten van federale aard. Art. 61-64 HOOFDSTUK V. - Het specifiek toezicht. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 65 Afdeling 2. - Personeel van de lokale politie. Art. 66-70 Afdeling 3. - Financiën. Onderafdeling 1. - Begroting en begrotingswijzigingen. Art. 71-75 Onderafdeling 2. - De financiële bijdrage van de gemeenten tot de meergemeentezone. Art. 76 Onderafdeling 3. - De rekeningen. Art. 77-81 Onderafdeling 4. - Toezicht inzake de boekhouding en kas. Art. 82-83 Onderafdeling 5. - Schuldherschikking. Art. 84 Afdeling 4. - Algemeen administratief toezicht op overige handelingen van de gemeentelijke instellingen. Art. 85-88 Afdeling 5. - Dwangtoezicht. Art. 89 HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen. Art. 90-91 TITEL III. - De federale politie. HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling. Art. 92 HOOFDSTUK II. - Algemene organisatie. Art. 93-96, 96bis HOOFDSTUK III. - Gezag, leiding en bevoegdheden. Art. 97-100, 100bis, 101-102, 102bis, 103-105, 105bis HOOFDSTUK IV. - Personeel. Art. 106-108, 108bis HOOFDSTUK V. - De vorderingen. Art. 109-110 HOOFDSTUK VI. - Samenwerking met de krijgsmacht. Art. 111-113 HOOFDSTUK VII. - Diverse bepalingen. Art. 114-115, 115bis TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen. HOOFDSTUK I. - Het personeel. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 116-121, 121bis, 122 Afdeling 2. - Algemene principes van het statuut van de politieambtenaren. Art. 123-133 Afdeling 3. - Beroepsonverenigbaarheden. Art. 134-136 Afdeling 4. - Diverse bepalingen. Art. 137-140, 140bis, 140ter, 140quater HOOFDSTUK II. - Organisatie en uitrusting. Art. 141-142, 142bis, 142ter, 142quater, 142quinquies, 142sexies TITEL V. - De algemene inspectie. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 143-149, 149bis, 149ter Titel Vbis. - Het Secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Art. 149quater, 149quinquies, 149sexies, 149septies, 149octies, 149nonies TITEL VI. - Wijzigingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Art. 150-201 TITEL VII. - Overige wijzigings- en opheffingsbepalingen. HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan de nieuwe gemeentewet. Art. 202-210 HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 7 april 1919 tot instelling van rechterlijke officieren en agenten bij de parketten. Art. 211 HOOFDSTUK III. - Opheffing van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht. Art. 212, 212bis HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering. Art. 213-222 HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. Art. 223-224 HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen aan de provinciewet. Art. 225-229 HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen aan het Veldwetboek. Art. 230-233 HOOFDSTUK VIII. - Wijziging aan de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken. Art. 234 TITEL VIII. - Overgangsbepalingen. HOOFDSTUK I. - Het personeel. Afdeling 1. - De lokale politie. Art. 235-240 Afdeling 2. - De federale politie. Art. 241-246, 246bis Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepaling. Art. 247, 247bis, 247ter, 247quater Afdeling 4. - Het secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus <Ingevoegd bij W 2008-07-24/35, art. 146; Inwerkingtreding : 17-08-2008> Art. 247quinquies HOOFDSTUK II. - Organisatie. Art. 248, 248bis, 248ter, 248quater, 248quinquies, 248sexies, 248septies, 248octies, 248nonies, 248decies, 248undecies, 248duodecies, 249-250, 250bis, 250ter, 250quater, 250quinquies, 251 HOOFDSTUK III. - De opdrachten. Afdeling 1. - De lokale politie. Art. 252 Afdeling 2. - De federale politie. Art. 253-255 HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen. Art. 256-257, 257bis, 257ter, 257quater, 257quinquies TITEL VIIIbis. - Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau. <ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 165; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Art. 257sexies TITEL IX. - Slotbepalingen. Art. 258-260 |
||
| Tekst | Inhoudstafel | Begin |
|---|---|---|
|
Artikel 1. Deze wet
regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. TITEL I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen. Art. 2. In deze wet wordt verstaan onder : 1° de gouverneur : de provinciegouverneur of de gouverneur van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad; 2° de politiediensten : de federale politie en de korpsen van de lokale politie; 3° de algemene inspectie : de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Art. 3. De politiediensten worden georganiseerd en gestructureerd op twee niveaus : het federale niveau en het lokale niveau, die samen de geïntegreerde politiezorg verzekeren. Deze niveaus zijn autonoom en hangen van verschillende overheden af. Deze wet regelt de functionele banden tussen deze twee niveaus. Overeenkomstig Titel II van de huidige wet, verzekert de lokale politie op het lokale niveau de basispolitiezorg, meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie die nodig zijn voor het beheren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone, evenals het vervullen van sommige politieopdrachten van federale aard. Overeenkomstig Titel III van de huidige wet, verzekert de federale politie over het gehele grondgebied, met inachtneming van de principes van specialiteit en subsidiariteit, de gespecialiseerde en de supralokale opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie, evenals ondersteunende opdrachten voor de lokale politiediensten en voor de politieoverheden. De geïntegreerde politiedienst waarborgt de overheden en de burgers een minimale gelijkwaardige dienstverlening over het gehele grondgebied van het Rijk. Art. 4. De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie worden, met inachtname van de prerogatieven van de bevoegde overheden, belast met het coördineren van het algemeen politiebeleid, evenals met de coördinatie van het beheer van de federale politie en van de lokale politie. Zij stellen te dien einde (om de vier jaar) een nationaal veiligheidsplan op (na advies van de minister bevoegd voor verkeer over de elementen van dit plan die betrekking hebben op de verkeersveiligheid). <W 2003-02-07/38, art. 38, 012; Inwerkingtreding : 01-03-2004> <W 2003-12-22/42, art. 411, 014; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De krachtlijnen van het nationaal veiligheidsplan worden aan het Parlement medegedeeld. Het nationaal veiligheidsplan waarborgt een globale en geïntegreerde aanpak van de veiligheid en verzekert de samenhang van het optreden van de politiediensten. De zonale veiligheidsplannen houden er rekening mee. In het raam van de hun door deze wet toegekende bevoegdheden waken de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie er bovendien over de politiediensten op zodanige wijze te organiseren dat een doeltreffende operationele samenwerking en een geïntegreerde politiezorg worden gewaarborgd. Art. 5. De opdrachten van de politiediensten worden bij wet bepaald. HOOFDSTUK II. - De federale politieraad. Art. 6. Er wordt een federale politieraad opgericht. Hij wordt als volgt samengesteld : 1° een voorzitter; 2° een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken en een vertegenwoordiger van de minister van Justitie; 3° (een procureur-generaal, op voorstel van het college van procureurs-generaal, voor een hernieuwbare termijn van vier jaar); <W 2006-06-20/34, art. 8, 1°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> 4° een gouverneur; 5° de federale procureur; 6° een procureur des Konings; 7° een onderzoeksrechter; 8° drie burgemeesters, lid van de adviesraad van burgemeesters, en die elk uit een verschillend Gewest komen; 9° de commissaris-generaal; 10° een korpschef van de lokale politie. De federale politieraad telt, de voorzitter niet meegerekend, evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De voorzitter en de leden van de federale politieraad, bedoeld in het eerste lid, 4°, 6°, 7°, 8° en 10°, worden aangesteld voor een hernieuwbare termijn van vier jaar bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De korpschef van de lokale politie wordt aangesteld op voorstel van de Vaste Commissie van de lokale politie, bedoeld in artikel 91. (De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor elk van de in het eerste lid, 3°, 4°, 6° tot 8° en 10°, bedoelde leden een plaatsvervanger aan, met inachtneming van de hoedanigheid, het taalstelsel en, in voorkomend geval, de voordrachtwijze.) <W 2006-06-20/34, art. 8, 2°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Art. 7. Onverminderd de andere bevoegdheden die hem bij wet worden toebedeeld, verleent de federale politieraad advies aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en is deze belast met de globale evaluatie van de werking en de organisatie van de federale politie en van de lokale politiediensten, met name op basis van een jaarlijks rapport opgesteld door de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Hij geeft een gemotiveerd advies over het ontwerp van het nationaal veiligheidsplan, en zal de uitvoering ervan geregeld evalueren. Samen met de krachtlijnen van het plan wordt aan het Parlement het advies van de federale politieraad meegedeeld. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, de nadere regels voor de werking van de federale politieraad. HOOFDSTUK III. - De adviesraad van burgemeesters. Art. 8. Een adviesraad van burgemeesters wordt opgericht. Elk reglementair besluit betreffende de lokale politie wordt door de minister van Binnenlandse Zaken onderworpen aan het advies van de adviesraad. Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalt de Koning de samenstelling ervan, de nadere regels voor de aanwijzing van zijn leden en van zijn werking, met inbegrip van de termijnen waarbinnen de adviezen door de raad worden verstrekt. De Koning waakt over het representatief karakter van de adviesraad rekening houdend met de types van politiezone. De leden van de adviesraad en hun plaatsvervangers worden door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, benoemd voor een hernieuwbare periode van drie jaar. Het verlies van de hoedanigheid van burgemeester leidt van rechtswege tot het beëindigen van het mandaat van lid van de adviesraad. TITEL II. - De lokale politie. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Afdeling 1. - De politiezones. Art. 9. Na advies van de betrokken burgemeesters, die de gemeenteraden dienaangaande raadplegen, van de procureur-generaal en van de gouverneur over een voorstel tot indeling door de minister van Binnenlandse Zaken, verdeelt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op de voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad, in politiezones. Daartoe worden de grenzen van de gerechtelijke arrondissementen gerespecteerd, behoudens wat de gemeenten betreft die ressorteren onder meerdere gerechtelijke arrondissementen. Een politiezone bestaat uit één of meer gemeenten. De meergemeentezone beschikt over rechtspersoonlijkheid. Art. 10. Elke politiezone beschikt over een lokaal politiekorps. In de meergemeentezones wordt de lokale politie zodanig georganiseerd dat ze over een of meer politieposten beschikt in elke gemeente van de zone. Art. 11. In de meergemeentezones worden de bevoegdheden van de gemeenteraad inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door de politieraad, bedoeld in artikel 12. (De politieraad is ook gemachtigd te onteigenen te algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6 juli 1989.) <W 2005-09-19/39, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 08-11-2005> In dezelfde zones, worden de respectieve bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door het politiecollege, bedoeld in artikel 23. Zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de hen toegekende bevoegdheden, heeft de politieraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeesters over de wijze waarop zij de bevoegdheden uitoefenen die hen zijn verleend krachtens de artikelen 42, 43 en 45 evenals krachtens artikel 133, tweede en derde lid van de nieuwe gemeentewet. Afdeling 2. - De politieraad en het politiecollege. Onderafdeling 1. - Samenstelling van de politieraad en van het politiecollege. Art. 12. De lokale politie in de meergemeentezone wordt bestuurd door een politieraad bestaande uit : - 13 leden in een meergemeentezone die de 15 000 inwoners niet overschrijdt; - 15 leden voor een bevolking van 15 001 tot 25 000 inwoners; - 17 leden voor een bevolking van 25 001 tot 50 000 inwoners; - 19 leden voor een bevolking van 50 001 tot 80 000 inwoners; - 21 leden voor een bevolking van 80 001 tot 100 000 inwoners; - 23 leden voor een bevolking van 100 001 tot 150 000 inwoners; - 25 leden voor een bevolking van meer dan 150 000 inwoners. De politieraad wordt evenredig samengesteld uit leden van de gemeenteraden van de verschillende gemeenten die samen de meergemeentezone vormen, op basis van hun respectievelijke bevolkingscijfers. Elke gemeenteraad beschikt over minstens één vertegenwoordiger in de politieraad. (De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels inzake de berekening van de in het tweede lid bedoelde evenredige samenstelling.) <W 2001-04-02/34, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In de gevallen dat de evenredigheid bepaald in het tweede lid geen vertegenwoordiging van een gemeenteraad toelaat, wordt één bijkomend lid toegekend om hierin te voorzien. Het aantal leden bepaald in het eerste lid wordt in dit geval telkens vermeerderd met één eenheid. (Het aantal leden dat iedere gemeenteraad telt in de politieraad, wordt met inachtneming van de bepalingen van de voorgaande leden vastgesteld door de uittredende politieraad.) <W 2001-04-02/34, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Elk effectief lid heeft een of twee opvolgers. De burgemeesters van de gemeenten die deel uitmaken van de meergemeentezone zijn van rechtswege lid van de politieraad. Zij worden niet meegerekend in het overeenkomstig het eerste lid bepaald aantal leden. Art. 13. Voor het bepalen en het verdelen van het aantal leden bedoeld in artikel 12 worden de bevolkingscijfers in aanmerking genomen die als basis hebben gediend voor het bepalen van de samenstelling van de verschillende gemeenteraden in de overeenkomstige meergemeentezone. Art. 14. Om te kunnen worden verkozen tot werkend of plaatsvervangend lid van de politieraad, moet de kandidaat op de dag van de verkiezing deel uitmaken van de gemeenteraad van een van de gemeenten die de meergemeentezone vormen. Art. 15. Effectieve leden van de politieraad mogen geen bloed- of aanverwanten zijn (tot en met de tweede graad), noch door de echt verbonden zijn. Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat. <W 2002-04-26/30, art. 97, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Tussen de als effectief lid verkozen personen wordt de orde van voorrang geregeld overeenkomstig de in artikel 17 bepaalde orde. Het effectief lid geniet voorrang op degene die door opvolging lid van de raad wordt. Tussen personen die gelijktijdig door opvolging lid van de raad worden, wordt de voorrang geregeld overeenkomstig de in artikel 17 bepaalde orde. Art. 16. <W 2006-12-03/56, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 04-12-2006> De kandidaat-effectieve leden en de kandidaat-opvolgers worden in elke gemeenteraad schriftelijk voorgedragen door een of meer verkozenen voor de gemeenteraad; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een verkozene voor de gemeenteraad van elke politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van voordracht in ontvangst. Voor de verkiezing van de leden van de politieraad heeft elk gemeenteraadslid één stem indien er minder dan vier leden te verkiezen zijn, drie stemmen indien er vier of vijf leden te verkiezen zijn, vier indien er zes of zeven, vijf indien er acht of negen, zes indien er tien of elf en acht indien er twaalf of meer leden te verkiezen zijn. De verkiezing van de leden van de politieraad geschiedt bij geheime stemming en in één enkele stemronde. Elk gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft. Op elk stembiljet brengt hij een stem uit voor een effectief lid. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels en de procedure bepalen die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de kandidatenlijsten en bij de verkiezingen. Art. 17. De kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen zijn verkozen tot effectieve leden. Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde : 1° aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in de politieraad uitoefent. Indien één of meerdere kandidaten in dit geval verkeren wordt de voorrang verleend aan degene die zonder onderbreking zijn mandaat het langst heeft uitgeoefend; 2° aan de kandidaat die, voorheen, een mandaat in de politieraad heeft uitgeoefend. Indien één of meerdere kandidaten in dit geval verkeren, wordt voorrang verleend aan degene die zonder onderbreking het langst zijn mandaat heeft uitgeoefend, en bij gelijke duur, aan degene die het het laatst heeft beëindigd; 3° aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; 4° aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt. Wie zou verkozen zijn doch wiens verkiezing geen uitwerking kan krijgen, wordt wegens onverenigbaarheid vervangen door zijn opvolger. De kandidaten die als opvolgers van een verkozen effectief lid worden voorgedragen, zijn van rechtswege de opvolgers van het voornoemde lid. Art. 18. <W 2006-12-03/56, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 04-12-2006> De verkiezing van de leden van de politieraad heeft plaats tijdens de openbare zitting waarop de gemeenteraad wordt geïnstalleerd of ten laatste binnen tien dagen. Indien die laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt die termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is. Art. 18bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De burgemeester kondigt onmiddellijk na de in artikel 18 of in artikel 19, tweede lid, bepaalde verkiezing de verkiezingsuitslag af. Het dossier van de verkiezing van de leden van de politieraad en van hun opvolgers wordt door elke gemeente onverwijld toegezonden aan de bestendige deputatie of aan het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Enkel de kandidaten kunnen een bezwaar indienen tegen deze verkiezingen. Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij de bestendige deputatie of bij het in het tweede lid bedoelde college worden ingediend binnen tien dagen volgend op de in het eerste lid bedoelde afkondiging van de verkiezingsuitslag. Het feit dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de termijn of de beslissing van de bestendige deputatie of het in het tweede lid bedoelde college, wordt door de gouverneur medegedeeld aan de betrokken gemeenteraad en aan de politieraad. Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden en opvolgers van de politieraad wier verkiezing werd vernietigd, aan de opvolgers wier verkiezingsrang werd gewijzigd en aan de personen die bezwaren hebben ingediend. Wanneer een vernietiging definitief is geworden, wordt tot een nieuwe verkiezing overgegaan. In dit geval is artikel 18 van toepassing met dien verstande dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die waarop de vernietiging aan de betrokken gemeenteraad werd medegedeeld. Art. 18ter. <Ingevoegd bij W 2001-04-02/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Ongeacht of bij haar bezwaar is ingediend of niet, doet de bestendige deputatie of het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, als administratief rechtscollege uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier en herstelt, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen. Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd. Art. 18quater. <Ingevoegd bij W 2001-04-02/36, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De in artikel 18bis, vijfde lid, bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de kennisgeving bedoeld in artikel 18bis, zesde lid. De gouverneur kan een zelfde beroep instellen binnen vijftien dagen na de beslissing van de bestendige deputatie of van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen of na het verstrijken van de termijn. Het beroep bij de Raad van State is niet opschortend ten opzichte van de beslissing van de bestendige deputatie, behoudens wanneer het beroep gericht is tegen een beslissing van de bestendige deputatie of van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen die een vernietiging van de verkiezingen of van de verkiezing van een of meer leden of opvolgers inhoudt. Binnen acht dagen na ontvangst van een beroep, deelt de hoofdgriffier van de Raad van State dit mee aan de gouverneur, alsmede aan de betrokken meergemeentezone en aan de betrokken gemeenteraad. Hij deelt hen tevens het arrest van de Raad van State mee. Art. 19. Wanneer een effectief lid voor het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de politieraad en hij geen opvolger of opvolgers heeft, kunnen alle nog in functie zijnde gemeenteraadsleden die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend, gezamenlijk een kandidaat effectief lid en één of meer kandidaat-opvolgers voordragen. In dit geval worden deze kandidaten verkozen verklaard, de kandidaat-opvolgers in orde van hun voordracht. Is zulks niet het geval, dan wordt in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over één stem beschikt en de kandidaat die de meeste stemmen behaalde verkozen wordt verklaard Bij staking van stemmen is artikel 17 van toepassing. Art. 20. <W 2006-12-03/56, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 04-12-2006> Het mandaat van de verkozen leden van de politieraad vangt aan op de eerste werkdag van februari, tenzij ze rechtsgeldig vroeger bijeengeroepen zijn. Indien overeenkomstig artikel 18bis bezwaar is aangetekend tegen de verkiezing, dan worden de leden pas bijeengeroepen binnen vijftien dagen nadat de verkiezing definitief is geworden. De uittredende leden blijven hun mandaat uitoefenen tot de nieuwe politieraad is geïnstalleerd. Het lid dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd. De opvolger of het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt. Art. 20bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2001> § 1. Alvorens in functie te treden, worden de overeenkomstig artikel 18 of artikel 19, tweede lid, verkozen leden van de politieraad tot de eedaflegging opgeroepen door de voorzitter van het politiecollege. Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : " Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. ". In geval van volledige vernieuwing van de politieraad heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering belegd op de datum van de aanvang van het mandaat bedoeld bij artikel 20, eerste lid. Elke andere eedaflegging heeft plaats op de eerste vergadering van de politieraad die volgt op de neerlegging door een lid van zijn mandaat of op de verkiezing van zijn opvolger. § 2. Indien, naar gelang van het geval, de voorzitter van het politiecollege of de burgemeester nalaat de leden van de politieraad tot de eedaflegging op te roepen, dan worden de leden opgeroepen door de gouverneur en leggen ze de eed af in zijn handen of in handen van een door hem aangewezen commissaris. De gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij van het verzuim kennis heeft gekregen. De kosten van deze procedure komen ten laste van de voorzitter van het politiecollege of de burgemeester die verzuimd heeft uitvoering te geven aan § 1. De invordering van die kosten geschiedt door, naar gelang van het geval, de bijzondere rekenplichtige of de gemeenteontvanger ten laste van de voorzitter van het politiecollege of de burgemeester, nadat de gouverneur het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard. Art. 21. Met uitzondering van de omstandigheid bedoeld in het eerste lid van artikel 20 leidt het verlies van de hoedanigheid van gemeenteraadslid van rechtswege tot het beëindigen van het mandaat van lid van de politieraad. Art. 21bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Onverminderd de toepassing van artikel 21 wordt het ontslag van een overeenkomstig artikel 18 verkozen lid van de politieraad schriftelijk ingediend bij de politieraad. De in artikel 21ter bedoelde beslissing van de bestendige deputatie of deze van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, wordt door de gouverneur, bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken lid van de politieraad. Deze beslissing wordt eveneens ter kennis gebracht van de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken lid gemeenteraadslid is en van de voorzitter van de politieraad. De voornoemde beslissing van de bestendige deputatie of van het college heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken lid van de politieraad. Art. 21ter. <Ingevoegd bij W 2001-04-02/36, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Het overeenkomstig artikel 18 of 19, tweede lid, verkozen lid van de politieraad dat betwist dat het met toepassing van artikel 21bis, eerste lid, als lid van de politieraad ontslag heeft genomen, kan beroep instellen bij de bestendige deputatie of het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, dat hierover als administratief rechtscollege uitspraak doet binnen dertig dagen na de ontvangst van het beroep. Het in het eerste lid bedoelde lid van de politieraad kan bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie of van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989. De gouverneur kan een zelfde beroep instellen binnen vijftien dagen na de beslissing van de bestendige deputatie of van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend. Binnen acht dagen na ontvangst van een beroep, deelt de hoofdgriffier van de Raad van State dit mee aan de gouverneur, alsmede aan de betrokken meergemeentezone en aan de gemeenteraad waarvan de beroeper deel uitmaakt. Hij deelt hen tevens het arrest van de Raad van State mee. Art. 21quater. <Ingevoegd bij W 2001-04-02/36, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging, uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de artikelen 18quater en 21bis. Art. 22. De bepalingen van de artikelen 11, 12 en 12bis van de nieuwe gemeentewet zijn van toepassing op de leden van de politieraad. Art. 22bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/75, art. 4; Inwerkingtreding : 10-09-2001> § 1. De politieraden van de zones van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad moeten ten minste het volgende aantal leden van de Nederlandse taalgroep omvatten : - twee voor de zone van Ukkel, Oudergem en Watermaal-Bosvoorde; - vier voor de zone Anderlecht, Vorst en Sint-Gillis; - drie voor de zone van Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Agatha-Berchem, Ganshoren, Jette en Koekelberg; - vier voor de zone van Brussel en Elsene; - vier voor de zone van Schaarbeek, Sint-Joost-ten-Node en Evere; - twee voor de zone van Etterbeek, Sint-Lambrechts-Woluwe en Sint-Pieters-Woluwe. § 2. Indien het in § 1 bepaalde aantal in een politieraad niet bereikt wordt, coöpteert de politieraad de noodzakelijke bijkomende leden onder de gemeenteraadsleden of de opvolgers die tot de Nederlandse taalgroep van de gemeenteraden van de betrokken zone behoren. De leden worden gecoöpteerd bij volstrekte meerderheid van de leden van de politieraad, verkozen overeenkomstig artikel 12, tweede lid, door middel van evenveel geheime als afzonderlijke stemmingen als er leden te coöpteren zijn. § 3. De Nederlandse taalaanhorigheid kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van de gemeentekieswet. De verklaring van taalaanhorigheid kan worden afgelegd bij de indiening van de akte van voordracht van de kandidaten voor de verkiezing van de gemeenteraad of bij de indiening van de voordrachtlijsten voor de verkiezing van de politieraad. Bovendien kan, met het oog op coöptatie, de verklaring van taalaanhorigheid worden afgelegd tot de indiening van de akte van voordracht van de kandidaten voor de verkiezing van de gemeenteraad volgend op die van 8 oktober 2000. Art. 23. Het politiecollege wordt gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meergemeentezone vormen. Het mandaat van lid van het politiecollege vangt aan op het ogenblik van de eedaflegging als burgemeester. Het lid van het politiecollege dat afwezig is of verhinderd, wordt vervangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de nieuwe gemeentewet. Het politiecollege stelt één van zijn leden aan als voorzitter. Vóór het overige wordt de rang van de leden van het politiecollege bepaald door het stemmenaantal dat elk van hen overeenkomstig artikel 24 is toegekend. Indien het politiecollege geen voorzitter heeft aangesteld, wordt deze functie waargenomen door het lid met de hoogste rang. Art. 24. In het politiecollege beschikt elke burgemeester over een aantal stemmen naar evenredigheid van de minimum politiedotatie die zijn gemeente in de meergemeentezone inbrengt. In afwijking van het eerste lid wordt gedurende de eerste twee jaren volgend op het jaar waarin de lokale politie is opgericht, het aantal stemmen toegekend naar evenredigheid van de nettolast voor de functie Justitie en Politie onder de statistische code 399 van de laatst vastgestelde en goedgekeurde jaarrekeningen van elke gemeente. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels die in acht moeten worden genomen voor de toekenning van stemmen aan de leden van het politiecollege. Onderafdeling 2. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van de politieraad en van het politiecollege. Art. 25. De politieraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren het vereisen en (ten minste vier maal per jaar waarvan ten minste eenmaal per semester). De voorzitter van het politiecollege zit de politieraad voor. <W 2002-04-26/30, art. 98, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Elk lid van de politieraad, de leden van het politiecollege inbegrepen, heeft één stem. Art. 26. In afwijking van het vorige artikel beschikt, bij de stemmingen over de vaststelling van de begroting, de begrotingswijzigingen en de jaarrekeningen, elke groep vertegenwoordigers van één gemeente uit de politiezone over evenveel stemmen als waarover de burgemeester van de gemeente die hij vertegenwoordigt, beschikt in het politiecollege. Deze stemmen worden onder de leden van die groep gelijk verdeeld. Art. 27. De artikelen 84, 86, 87, 87bis, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95 tweede lid, 96, 97, 98, 99, 100 en 101 van de nieuwe gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de politieraad. Art. 28. De artikelen 104, eerste en derde lid, en 105 van de nieuwe gemeentewet zon van overeenkomstige toepassing op het politiecollege. Het politiecollege mag alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd. De besluiten van het politiecollege worden bij meerderheid van de stemmen bedoeld in het vorige lid genomen. Bij staking van stemmen verdaagt het politiecollege de zaak tot een volgende vergadering. Indien bij meerderheid van stemmen in het politiecollege de behandeling van de zaak vooraf spoedeisend is verklaard, of wanneer de zaak in een vorige vergadering na staking van stemmen werd verdaagd, is bij staking van stemmen de stem van de voorzitter beslissend. Art. 29. In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het politiecollege. Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan. De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend. De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend. Art. 29bis. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 99; Inwerkingtreding : 30-04-2002> In de politiezone die uit één gemeente bestaat, bereidt de korpschef, in afwijking van artikel 26bis , § 1, van de nieuwe gemeentewet, de zaken voor die aan de gemeenteraad of aan het college van burgemeester en schepenen worden voorgelegd en die in een meergemeentezone tot de bevoegdheid van, naargelang het geval, de politieraad of het politiecollege behoren. In dezelfde politiezone woont de korpschef van de lokale politie de vergaderingen van de raad en van het college bij telkens de in het eerste lid bedoelde onderwerpen behandeld worden. Voor de toepassing van artikel 27 dient in artikel 87 van de nieuwe gemeentewet het woord " gemeentesecretaris " gelezen te worden als " korpschef van de lokale politie ". Art. 30. De ontvangsten en uitgaven van de politiezone worden gedaan door een bijzondere rekenplichtige (, die zijn taak in volledige onafhankelijkheid moet kunnen uitoefenen). <W 2006-06-20/34, art. 9, 1°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> (De bijzondere rekenplichtige is de financiële raadgever en financiële beheerder van de lokale politie. Hij staat onder het gezag van het politiecollege.) <W 2006-06-20/34, art. 9, 2°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> In de ééngemeentezone treedt de gemeenteontvanger als bijzondere rekenplichtige op. (In de meergemeentenzone wordt de bijzondere rekenplichtige op voorstel van het politiecollege aangewezen door de politieraad onder de gemeenteontvangers en de ontvangers van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een van de gemeenten die deel uitmaken van de politiezone of van een andere politiezone. De politieraad kan evenwel een beroep doen op (een bijzondere rekenplichtige van een andere politiezone, een personeelslid van niveau A van het administratief en logistiek kader van het lokale politiekorps " ingevoegd tussen de woorden) een gewestelijke ontvanger of op een personeelslid van een al dan niet tot de politiezone behorende gemeente of openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat voldoet aan de voorwaarden om in zijn gemeente benoemd te worden tot gemeenteontvanger of ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering, in voorkomend geval, van een leeftijdsvoorwaarde. <W 2006-06-20/34, art. 9, 3°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Eenzelfde persoon kan worden aangewezen als bijzondere rekenplichtige van meerdere politiezones. (Een korps van de lokale politie kan een van zijn personeelsleden van het administratief en logistiek kader als voltijdse of deeltijdse bijzondere rekenplichtige ter beschikking stellen van een ander korps van de lokale politie, ongeacht of hij al dan niet deze functie in zijn politiekorps van oorsprong uitoefent.) <W 2006-06-20/34, art. 9, 4°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De bijzondere rekenplichtige die geen ontvanger is, legt de eed af in handen van de voorzitter van het politiecollege in de bewoordingen bepaald in artikel 137.) <W 2001-12-30/30, art. 105, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De bijzondere rekenplichtige heeft tot taak om, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van de politieoverheid te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope, hetzij van het bijzonder bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, van het bijzonder krediet of van het voorlopig krediet, hetzij van het bedrag van de overeenkomstig artikel 248 van de nieuwe gemeentewet, overgeschreven kredieten. Indien de bijzondere rekenplichtige weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling vervolgd, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger, nadat de gouverneur, die de bijzondere rekenplichtige oproept en hem vooraf hoort, indien hij zich aanmeldt, de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard. (Bij beslissing van de politieraad kan de bijzondere rekenplichtige die houder is van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen, op zijn verzoek overgaan naar het administratief en logistiek kader van het betrokken lokale politiekorps. De bijzondere rekenplichtigen van meerdere politiezones kan slechts overgaan naar de personeelsformatie van ten hoogste twee lokale politiekorpsen. Hij is een vastbenoemd personeelslid van het betrokken lokale politiekorps of korpsen en wordt van rechtswege bekleed met een bijzondere graad van niveau A. De Koning bepaalt het statuut van de bijzondere rekenplichtige evenals de nadere regels voor de uitoefening van hun taak. De politieraad kan beslissen het niveau van bezoldiging dat de bijzondere rekenplichtige voor zijn overgang genoot, te vrijwaren. Voor het overige bepaalt de Koning de nadere regelen van die overgang.) <W 2006-06-20/34, art. 9, 5°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Art. 31. De bijzondere rekenplichtige (die geen ontvanger is van een gemeente of, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en die geen gewestelijk ontvanger is,) in de meergemeentezone is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een (...) zekerheid in geld, in effecten, of in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen. <W 2001-12-30/30, art. 106, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Koning bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van deze (...) zekerheid. <W 2001-12-30/30, art. 106, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De politieraad stelt, op de eerstvolgende vergadering na de aanstelling van de bijzondere rekenplichtige, het bedrag vast van de zekerheid die deze (in voorkomend geval) moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt. <W 2001-12-30/30, art. 107, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De zekerheid wordt bij de deposito- en consignatiekas gedeponeerd; de rente die ze opbrengt komt aan de bijzondere rekenplichtige toe. De akten van zekerheidstelling worden, zonder kosten voor de meergemeentezone, voor het politiecollege verleden. Indien er registratierechten verschuldigd zijn, worden deze teruggebracht tot het algemeen vast recht en zijn ze ten laste van de bijzondere rekenplichtige. De bijzondere rekenplichtige mag de zekerheidstelling vervangen door, hetzij een bankwaarborg of verzekering die beantwoordt aan de modaliteiten door de Koning bepaald, hetzij de hoofdelijke borgstelling van een vereniging die door de Koning is erkend. Deze erkende vereniging moet de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en de voorschriften van boek I, titel IX, afdeling VII, van het Wetboek van koophandel naleven; ze behoudt niettemin haar burgerlijk karakter. Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de bijzondere rekenplichtige voor wie ze zich borg heeft gesteld, mits het politiecollege instemt met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend. Het politiecollege zorgt dat de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige werkelijk gesteld en te bekwamer tijd wordt vernieuwd. De bijzondere rekenplichtige die zijn zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, is ambtshalve ontslagen en wordt vervangen. Alle kosten betreffende de vestiging der zekerheid komen ten laste van de bijzondere rekenplichtige. Is er een tekort in de kas van de meergemeentezone, dan heeft de meergemeentezone een voorrecht op de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige. (Vijftiende lid opgeheven) <W 2006-06-20/34, art. 10, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Art. 32. In geval van afwezigheid van de bijzondere rekenplichtige wordt zijn functie waargenomen overeenkomstig de bepalingen voor vervanging die in zijn bestuur van herkomst van toepassing zijn. (Het politiecollege wijst, op voorstel van de bijzondere rekenplichtige die geen ontvanger is van een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en die geen gewestelijke ontvanger is, een lid van het administratief en logistiek kader of een bijzondere rekenplichtige van een andere politiezone of een ontvanger van een gemeente of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan om hem, onder zijn verantwoordelijkheid, in geval van gewettigde afwezigheid te vervangen voor een periode van maximum dertig dagen. Die vervanging kan voor eenzelfde afwezigheid tweemaal met ten hoogste dezelfde termijn worden verlengd. In alle andere gevallen kan de politieraad een waarnemende bijzondere ontvanger aanduiden die moet voldoen aan de voorwaarden om tot bijzondere rekenplichtige aangewezen te worden. De waarnemende bijzondere rekenplichtige oefent alle bevoegdheden van de bijzondere rekenplichtige uit. De vergoeding van de bijzondere rekenplichtige wordt aan zijn vervanger uitgekeerd.) <W 2001-12-30/30, art. 107, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> (De gemeente- of politieraad stelt, binnen de voorwaarden door de Koning bepaald, de vergoeding van de bijzondere rekenplichtige vast.) <W 2001-04-02/34, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 32bis. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 107; Inwerkingtreding : 01-01-2002> (De politieraad of de gemeenteraad kan een vergoeding vaststellen voor de secretaris in de politiezone.) Deze vergoeding kan niet hoger zijn dan het maximale bedrag dat door de Koning is bepaald voor de vergoeding van de bijzondere rekenplichtige in uitvoering van artikel 32 van de wet. <W 2002-04-26/30, art. 100, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Onderafdeling 3. - Budgettair en financieel beheer. Art. 33. Titel V van de nieuwe gemeentewet is van toepassing op het beheer van de goederen en inkomsten van de lokale politie, met dien verstande dat voor de meergemeentezone de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden "gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, gemeente-instellingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten", respectievelijk moeten worden gelezen als : "meergemeentezone, politieraad, politiecollege," en "uitdrukkelijk aangewezen afdelingen van de lokale politie". Art. 34. (De artikelen 131 en 142) en titel VI, hoofdstuk I en II, van de nieuwe gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 243 en 253, zijn van toepassing op het budgettair en financieel beheer van de lokale politie, met dien verstande dat : <W 2002-04-26/30, art. 101, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> 1° voor de meergemeentezone de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden "gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, burgemeester, gemeentesecretaris, gemeenteontvanger en gemeentekas", respectievelijk moeten worden gelezen als : "meergemeentezone, politieraad, politiecollege, voorzitter van het politiecollege, korpschef van de lokale politie, bijzondere rekenplichtige en kas van de meergemeentezone"; 2° het in artikel 240, § 1, derde lid, van de nieuwe gemeentewet vermelde "verslag bedoeld in artikel 96" moet worden gelezen als "de door de Koning voorgeschreven documenten die bij de begroting en rekeningen van de politiezone moeten worden gevoegd"; 3° in artikel 241, § 1, van de nieuwe gemeentewet de woorden "eerste maandag van oktober" moeten worden gelezen als "in de maand oktober"; (4° in artikel 250 van de nieuwe gemeentewet moeten de woorden " door de burgemeester of door degene die hem vervangt, en door een schepen " worden gelezen als " door de voorzitter van het politiecollege of door diegene die hem vervangt, en door een lid van het politiecollege ".) <W 2002-04-26/30, art. 102, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Art. 34bis. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 108; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Onverminderd artikel 30, zevende lid, mogen de dotaties, toelagen en bijdragen in de uitgaven van de gemeenten als politiezone en van de meergemeentenpolitiezones, hun aandeel in de bij de wet, het decreet of de ordonnantie ten voordele van de politiezones ingestelde fondsen en in het algemeen alle sommen die de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provincies en de gemeenten om niet verlenen aan de politiezones rechtstreeks gestort worden op de rekeningen geopend namens de gerechtigde gemeenten of politiezones bij financiële instellingen die voldoen, naar gelang het geval, aan de voorschriften van de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. De in het eerste lid bedoelde financiële instellingen worden gerechtigd om het bedrag van de opeisbare schulden, door de gemeente met betrekking tot de politiedienst of door de politiezone tegenover hen aangegaan, ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekeningen die zij ten behoeve van die gemeente of van die politiezone hebben geopend. Art. 34ter. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 103; Inwerkingtreding : 30-04-2002> § 1. De betaling van uitgaven die strikt noodzakelijk zijn voor de goede werking van de lokale politie mag worden verricht door personeelsleden van de zone die de raad daartoe aanstelt. De raad bepaalt het bedrag van de provisie die aan bedoelde personeelsleden wordt toegekend en het maximale bedrag per uitgave. De bijzondere rekenplichtige overhandigt de provisie tegen ontvangstbewijs aan de aangestelde personeelsleden, die hiervoor persoonlijk verantwoordelijk zijn. § 2. De regelmatige uitgaven, verricht met de overeenkomstig § 1 toegekende provisies, worden aan het personeelslid belast met het beheer van de provisie terugbetaald na voorlegging van een uitbetalingsaanvraag, die periodiek en uiterlijk op 31 december van het jaar waarop de gedane betalingen betrekking hebben, bij het college ingediend wordt. Voor elk begrotingskrediet wordt een afzonderlijke aanvraag opgemaakt. Deze aanvragen worden met het oog op de controle van hun regelmatigheid aan de bijzondere rekenplichtige overhandigd. Zij zijn gestaafd door voor voldaan ondertekende facturen, kwitanties of ontvangstbewijzen, opgesteld door de schuldeisers. De aanvragen maken het voorwerp uit van een vastlegging en aanrekening op het passende begrotingskrediet en worden gevoegd bij het betalingsbevel dat met het oog op de aanvulling van de provisie moet opgemaakt worden. Wanneer de houder van een provisie hiervan ontlast wordt, betaalt hij de provisie terug aan de bijzondere rekenplichtige. Afdeling 3. - De zonale veiligheidsraad. Art. 35. In elke politiezone wordt een zonale veiligheidsraad opgericht waarbinnen een systematisch overleg wordt georganiseerd tussen de burgemeesters, de procureur des Konings, de korpschef van de lokale politie en de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of zijn afgevaardigde. De zonale veiligheidsraad kan deskundigen uitnodigen om deel te nemen aan zijn werkzaamheden. De opdrachten van de zonale veiligheidsraad zijn de volgende : 1° het bespreken en de voorbereiding van het zonaal veiligheidsplan; 2° het bevorderen van de optimale coördinatie van de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie; 3° het evalueren van de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Art. 36. Het (vierjaarlijkse) zonaal veiligheidsplan omvat : <W 2003-12-22/42, art. 412, 014; Inwerkingtreding : 10-01-2004> 1° de prioritaire opdrachten en doelstellingen vastgesteld door de burgemeesters en de procureur des Konings, elkeen wat zijn bevoegdheden betreft, die in een globale veiligheidsaanpak worden geïntegreerd, evenals de wijze waarop deze opdrachten en doelstellingen zullen worden bereikt; 2° de capaciteit van de lokale politie die bestemd is voor de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie en die er moet voor zorgen dat deze opdrachten te allen tijde kunnen worden uitgevoerd, in het bijzonder de lokale opdrachten; 3° de bijdrage van de lokale politie in de uitvoering van de opdrachten van federale aard bedoeld in artikel 61; 4° de opdrachten en doelstellingen die eigen zijn aan een gemeente van de zone, die overeenstemmen met een budgettaire tussenkomst van deze gemeente die de overeenkomstig artikel 40, derde lid, overeengekomen dotatie overschrijdt. Art. 37. Het zonaal veiligheidsplan wordt, rekening houdend met het nationaal veiligheidsplan, voorbereid door de zonale veiligheidsraad. De gedeelten van het zonaal veiligheidsplan die een weerslag hebben op de aangelegenheden die onder de bevoegdheid ressorteren van de gemeenteraad of van de politieraad, worden voor akkoord voorgelegd aan de gemeenteraad of, desgevallend, aan de politieraad. Na goedkeuring door de burgemeesters en de procureur des Konings, wordt het voor goedkeuring voorgelegd aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, die er zich over moeten uitspreken binnen de twee maanden vanaf de ontvangst van het plan. Na deze termijn wordt hun goedkeuring als gegeven geacht. Indien de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie het plan niet goedkeuren, wordt hen een nieuwe versie ervan voorgelegd. In dit geval wordt de termijn voor goedkeuring teruggebracht tot één maand. De gemeenteraden worden ingelicht over het goedgekeurde plan, met uitzondering van de gedeelten of gegevens die door de zonale veiligheidsraad als vertrouwelijk worden beschouwd. Wanneer, in de loop van de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan blijkt dat de overeenkomstig artikel 36, 2°, geplande capaciteit, ontoereikend is om die opdrachten uit te voeren, wordt dit verholpen door de zonale veiligheidsraad. Afdeling 4. - Personeel en begroting. Art. 38. Voor elke politiezone bepaalt de Koning het minimaal effectief van het operationeel en van het administratief en logistiek personeel van de lokale politie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die zone. Art. 39. In de ééngemeentezones wordt de begroting van het lokaal politiekorps goedgekeurd door de gemeenteraad, overeenkomstig de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, vastgestelde minimale begrotingsnormen. De begroting van de politiezone komt ten laste van de gemeente van de zone en van de federale Staat. Art. 40. In de meergemeentezones wordt de begroting van het lokaal politiekorps goedgekeurd door de politieraad, overeenkomstig de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, vastgestelde minimale begrotingsnormen. De begroting van de politiezone komt ten laste van de verschillende gemeenten van de zone en van de federale Staat. Elke gemeenteraad van de zone stemt de dotatie die aan het lokaal politiekorps moet worden toegekend en die aan de politiezone wordt gestort. Overeenkomstig artikel 36, 4°, kan een gemeente haar dotatie verhogen ten voordele van de politiezone. De dotatie wordt in de uitgaven van elke gemeentebegroting ingeschreven. De bijdrage aan de meergemeentezone wordt op zijn minst in twaalfden uitbetaald. De nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de dotaties en de wijze waarop zij worden uitbetaald, worden door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit vastgelegd. Wanneer de meergemeentezone niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van haar opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeenten die er deel van uitmaken. Art. 41. Per politiezone wordt jaarlijks een toelage uitgetrokken ten laste van de federale begroting, verder genoemd de federale toelage. De federale toelage wordt bepaald op basis van : 1° het aandeel van de federale overheid in de financiering van de lokale opdrachten van de politie; 2° de algemene en bijzondere federale opdrachten die binnen de betrokken zone worden vervuld. (De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria en de nadere regels inzake de vastlegging en de uitbetaling van de federale subsidie, die op zijn minst in twaalfden wordt uitbetaald, alsmede de regels inzake de bepaling van de in die subsidie op te nemen kostprijs van de federale, algemene of specifieke opdrachten die het lokale niveau van de geïntegreerde politiedienst op zich neemt.) <W 2002-04-26/30, art. 104, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> (Lid 3 opgeheven) <W 2005-12-06/45, art. 10, 019 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005> (In het geval dat een korps van lokale politie zijn opdrachten bedoeld in artikel 61 of die bedoeld in de artikelen 96bis of 105bis niet nakomt, wordt de federale dotatie aan de betrokken gemeente of meergemeentezone verminderd overeenkomstig de regels door de Koning bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De ingehouden bedragen worden in het " Federaal solidariteitsfonds voor de lokale politie " gestort.) <W 2004-12-27/30, art. 476, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Art. 41bis. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 110; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De federale toelagen, uitgetrokken op basis van artikel 41 en voorzien op het programma 90/1 " Federale dotatie " van de begroting " Federale politie en geïntegreerde werking ", mogen het voorwerp uitmaken van ordonnantiën van vaste uitgaven en mogen worden vastgelegd en vereffend door tussenkomst van de Centrale Dienst van Vaste Uitgaven. HOOFDSTUK II. - Gezag en leiding. Art. 42. Voor het uitvoeren van haar opdrachten van bestuurlijke politie, staat de lokale politie onder het gezag van de burgemeester die haar, wat de uitvoering betreft van deze opdrachten op het grondgebied van zijn gemeente, de bevelen, onderrichten en richtlijnen geeft die dienaangaande noodzakelijk zijn. Wanneer, in de meergemeentezones, de uitvoering van een beslissing van een burgemeester niet is opgenomen in het zonaal veiligheidsplan en dit voor gevolg heeft dat de uitvoering van de beslissingen van de andere burgemeesters van de zone wordt beperkt, licht de korpschef van de lokale politie het politiecollege hierover in. Art. 43. In geval van ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, en wanneer de middelen van de lokale politie onvoldoende zijn, kan de burgemeester of de persoon die hem vervangt, met het oog op de handhaving of het herstel van de openbare orde, de federale politie vorderen. De gouverneur en de arrondissementscommissaris worden door de opvorderende overheid onmiddellijk over de vordering ingelicht. Wanneer de middelen van de politiediensten onvoldoende zijn om de openbare orde te handhaven, kan de burgemeester de krijgsmacht vorderen. Bij opvordering of ingrijpen van de federale politie of van het leger blijft de lokale politie onder het gezag van de burgemeester van de betrokken gemeente, onverminderd de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken en van de gouverneur inzake civiele bescherming. Zij staat onder de leiding van de korpschef of van de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie, overeenkomstig de artikelen 7/1 en 7/2 van de wet op het politieambt. De opgevorderde machten blijven in nauw contact met de vorderende overheid en de korpschef van de lokale politie om op gecoördineerde wijze op te treden. Art. 44. Elk lokaal politiekorps staat onder de leiding van een korpschef. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Hij staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Hiertoe kan de burgemeester of het politiecollege hem sommige van zijn bevoegdheden delegeren. In de uitoefening van deze functie is hij verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de normen bedoeld in de artikelen 141 en 142. Voor de uitoefening van zijn functie, kan de korpschef de in artikel 104, 1°, bedoelde hulp inroepen. Art. 45. De korpschef oefent de in artikel 44 bedoelde bevoegdheden uit onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege. Met het oog op een goed beheer van het politiekorps, licht de korpschef zo spoedig mogelijk de burgemeester of het politiecollege in over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Hij licht hem ook in over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het zonale veiligheidsbeleid. Hij moet elke maand verslag uitbrengen aan de burgemeester of aan het politiecollege over de werking van het korps en hem op de hoogte brengen van de klachten van buitenaf aangaande de werking van het korps of het optreden van zijn personeel. Art. 46. In geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef stelt de burgemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan. HOOFDSTUK III. - Personeel. Art. 47. De gemeenteraad of de politieraad bepaalt de formatie van het operationeel en van het administratief en logistiek personeel van het lokaal politiekorps, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde minimumnormen. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten volgens welke het personeel van het operationeel en van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de andere lokale politiekorpsen zich kandidaat kunnen stellen voor een ambt bij een lokaal politiekorps. Art. 48. De chef van het lokale politiekorps wordt door de Koning in zijn functie aangewezen (...) op gemotiveerde voordracht van de gemeenteraad of van de politieraad en na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, uit de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. <W 2006-06-20/34, art. 11, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De burgemeester of het politiecollege kan met een gemotiveerde beslissing, een ander door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat voordragen. Art. 49. (De Koning beslist over de aanvragen tot hernieuwing van de aanstelling tot korpschef van de lokale politie) na gemotiveerd advies van de gemeenteraad of van de politieraad, van de burgemeester of van het politiecollege, van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, en op grond van een globale evaluatie uitgevoerd door een evaluatiecommissie. De aanstelling mag niet worden verlengd indien de gemeenteraad of de politieraad en de burgemeester of het politiecollege na de korpschef te hebben gehoord, een met redenen omkleed negatief advies uitbrengen. <W 2006-06-20/34, art. 12, 1°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Het mandaat van de korpschef kan vroegtijdig worden beëindigd wanneer, op grond van een evaluatie door de evaluatiecommissie, na advies van de in het eerste lid vermelde instanties en nadat de betrokkene werd gehoord, blijkt dat deze laatste (een evaluatie " onvoldoende " behaalt). <W 2006-06-20/34, art. 12, 2°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De Koning bepaalt de voorwaarden voor de reaffectatie van korpschefs van wie het mandaat niet wordt vernieuwd of wordt beëindigd. Art. 50. <W 2002-04-26/30, art. 105, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De gemeenteraad of de politieraad stelt de in artikel 48 bedoelde selectiecommissie samen, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De burgemeester of, naargelang van het geval, de voorzitter van het politiecollege neemt het voorzitterschap waar van de selectiecommissie alsmede, in voorkomend geval, van de selectiecommissies voor andere mandaten in het korps van de lokale politie. De nadere regels betreffende de werking en de opdrachten van die commissies worden bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. In voorkomend geval kan de gemeenteraad of de politieraad beslissen een beroep te doen op een selectiecommissie die door de minister van Binnenlandse Zaken wordt samengesteld volgens de nadere regels bedoeld in het derde lid. Art. 51. <W 2002-04-26/30, art. 106, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De evaluatiecommissies worden samengesteld door de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De burgemeester of, naargelang van het geval, de voorzitter van het politiecollege neemt het voorzitterschap waar van de evaluatiecommissie van de korpschef, alsmede, in voorkomend geval, van de evaluatiecommissies voor andere mandaten in het korps van de lokale politie. De inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie of zijn afgevaardigde maakt deel uit van die commissies. De Koning bepaalt bovendien bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels voor de werking van deze evaluatiecommissies en preciseert hun opdrachten. Art. 52. Indien de gemeenteraad of de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen of zich uit te spreken over de verlenging van de aanstelling binnen de zes maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst van een verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken, stelt de Koning de korpschef van de lokale politie aan uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen bedoeld in de artikelen 48 en 49. Art. 53. (De hogere officieren van de lokale politie worden overeenkomstig het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 121 door de Koning benoemd, op gemotiveerde voordracht van de gemeente- of van de politieraad, onder de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Wat de hogere officieren in de recherchediensten van de lokale politiekorpsen betreft, geschiedt de in het eerste lid bedoelde benoeming na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep. De benoeming van de andere hogere officieren in de lokale politiekorpsen wordt voorafgegaan door de mededeling van de lijst van de kandidaten voor de te begeven betrekking aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.) <W 2005-07-03/53, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De burgemeester of het politiecollege kan, met een gemotiveerde beslissing, andere door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voordragen. Art. 54. <W 2005-07-03/53, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 29-07-2005> De niet in artikel 53 bedoelde officieren van de lokale politie worden benoemd door de gemeente- of door de politieraad onder de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Wat de officieren in de recherchediensten van de lokale politiekorpsen betreft, geschiedt de in het eerste lid bedoelde benoeming na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep. De benoeming van de andere officieren in de lokale politiekorpsen wordt voorafgegaan door de mededeling van de lijst van de kandidaten voor de te begeven betrekking aan de procureur-generaal bij het hof van beroep. Art. 55. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de benoeming van de officieren van de lokale politie. De gemeenteraad of de politieraad stelt de in de artikelen 52 en 53 bedoelde selectiecommissie samen, overeenkomstig de nadere regels bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Hetzelfde besluit stelt bovendien de nadere regels vast betreffende de opdrachten en de werking van deze commissie. Desgevallend kan de gemeenteraad of de politieraad beslissen een beroep te doen op een selectiecommissie die door de minister van Binnenlandse Zaken werd samengesteld volgens de nadere regels bedoeld in het vorige lid. Art. 56. De gemeenteraad of de politieraad benoemt of werft de andere leden van de lokale politie aan, volgens de voorwaarden en nadere regels vastgesteld door de Koning. Art. 57. De politieambtenaar die binnen het lokaal politiekorps de dienst leidt die hoofdzakelijk belast is met de opdrachten van gerechtelijke politie, wordt in deze functie aangesteld na een met redenen omkleed advies van de procureur des Konings. Art. 58. <W 2006-04-01/38, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 10-05-2006> Onverminderd de bepalingen van de wet op het politieambt en behalve de bevoegdheden die hen zijn toegekend inzake de politie over het wegverkeer en die om toe te zien op de naleving van gemeentelijke politieverordeningen, mogen de agenten van politie geen opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie uitvoeren. Zij zijn bevoegd om een verkeersongeval en de gevolgen ervan vast te stellen en er proces-verbaal van op te stellen. Binnen de bevoegdheden bedoeld in het eerste en het tweede lid kunnen zij de identiteit controleren van iedere persoon die een misdrijf heeft begaan. Art. 59. De politieambtenaren, de hulpagenten van politie en de statutire personeelsleden van het administratief en logistiek kader leggen de eed af in handen van de burgemeester of van de voorzitter van het politiecollege. Art. 60. Het in het raam van een benoemings- of een aanstellingsprocedure vereiste advies van de procureur-generaal, van de gouverneur of van de procureur des Konings moet worden overgezonden binnen een termijn van een maand, anders wordt het advies als gunstig beschouwd. HOOFDSTUK IV. - Opdrachten van federale aard. Art. 61. Overeenkomstig artikel 3, staat de lokale politie in voor sommige opdrachten van federale aard. De minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie bepaalt deze opdrachten door dwingende richtlijnen. Het uitvoeren van die richtlijnen mag de uitvoering van de lokale opdrachten niet in gevaar brengen. Wanneer de richtlijnen algemeen zijn, worden ze voor advies voorgelegd aan de adviesraad van burgemeesters. Wanneer ze betrekking hebben op één of meer welbepaalde politiezones, maken zij het voorwerp uit van een voorafgaand overleg met de burgemeester of het politiecollege. De richtlijnen kunnen betrekking hebben op het soort personeel alsook het in te zetten effectief op zijn uitrusting en bewapening en op de wijze van optreden. De richtlijn wordt uitgevoerd onder leiding van de korpschef van de lokale politie, behalve wanneer ze betrekking heeft op een opdracht die tegelijk door de lokale politie en de federale politie wordt uitgeoefend. In dat geval duidt de richtlijn het politieniveau aan dat met de operationele leiding is belast. De van de minister van Justitie uitgaande richtlijnen betreffende de opdrachten van gerechtelijke politie worden genomen na advies van het college van de procureurs-generaal. Art. 62. De volgende opdrachten kunnen het voorwerp uitmaken van de in artikel 61 bedoelde richtlijnen : 1° de opdrachten die bepaald zijn in de artikelen 17, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 20, eerste lid, 21 eerste lid, 23, (§§ 3, 4 en 5), 25, derde lid, 44 en 46 van de wet op het politieambt; <W 2001-04-02/34, art. 17; Inwerkingtreding : 01-01-2001> 2° de opdrachten van federale aard die in een zonaal veiligheidsplan zijn vermeld; 3° de politiemaatregelen die essentieel zijn voor de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie van de federale en gewestelijke overheden; 4° de sterke arm verlenen aan de overheidsambtenaren belast met een inspectie, een toezicht of een vaststelling, binnen de in artikel 44, derde lid, van de wet op het politieambt bepaalde voorwaarden; 5° bepaalde opdrachten van bewaking, toezicht of bijzondere bescherming van personen en van roerende of onroerende goederen; 6° het inwinnen van informatie noodzakelijk voor de federale overheden; 7° de operaties van bovenlokale politie ten opzichte van op te sporen personen, voertuigen of andere voorwerpen; 8° uitzonderlijk en tijdelijk, versterking verlenen bij omvangrijke gerechtelijke onderzoeken, op verzoek van de gerechtelijke overheden; 9° uitzonderlijk en tijdelijk, bepaalde specifieke bewakings- en toezichtopdrachten bij ernstige of nakende bedreiging van de openbare orde, met risico's van zware aantastingen van personen en goederen; (10° uitzonderlijk en tijdelijk, versterking verlenen bij omvangrijke opdrachten van bestuurlijke politie.) <W 2001-04-02/34, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (11° de politieopdrachten bepaald in artikel 16 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.) <W 2003-02-07/38, art. 39, 012; Inwerkingtreding : 01-03-2004> Art. 63. Wanneer aan zijn richtlijn geen gevolg wordt gegeven en na overleg met de betrokken burgemeester of het betrokken politiecollege, kan de minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie de uitvoering van deze richtlijn door de lokale politie bevelen. Art. 64. In geval van ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, kan de minister van Binnenlandse Zaken, wanneer de middelen van de lokale politie van een politiezone ontoereikend zijn, de lokale politie van een andere politiezone opvorderen teneinde de openbare orde te handhaven of te herstellen. Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken en van de gouverneur, wordt de opgevorderde lokale politie onder het gezag geplaatst van de burgemeester van de gemeente waarin ze optreedt. De opgevorderde lokale politie treedt op onder leiding van de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of van de korpschef van de lokale politie overeenkomstig de artikelen 7/1 en 7/2 van de wet op het politieambt. De gevorderde lokale politie moet alle vorderingen uitvoeren tot beloop van een gedeelte van haar jaarcapaciteit dat niet lager mag zijn dan tien procent en niet hoger dan twintig procent van de capaciteit van het in artikel 38 bedoelde minimale effectief van het personeel van het operationeel kader. Het gedeelte wordt jaarlijks vastgesteld in het zonale veiligheidsplan. Bij dringende noodzaak of wanneer de nationale veiligheid het vereist, mag de in het vorige lid bedoelde capaciteit wel worden overschreden. De bedoelde capaciteit mag meer dan twintig procent bedragen in de door de Koning bepaalde gevallen. HOOFDSTUK V. - Het specifiek toezicht. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 65. De toezichthoudende overheid kan zowel per briefwisseling als ter plaatse, alle inlichtingen en gegevens inwinnen die nodig zijn voor het onderzoek van de dossiers die aan haar toezicht zijn onderworpen. Afdeling 2. - Personeel van de lokale politie. Art. 66. De goedkeuring van de beslissingen betreffende de personeelsformatie, betreffende de begroting en de erin aangebrachte wijzigingen, betreffende de bijdrage van een gemeente aan de politieraad en de erin aangebrachte wijzigingen en betreffende de rekeningen kan slechts worden geweigerd omwille van de schending van de bepalingen vervat in deze wet of genomen krachtens deze wet. Art. 67. De besluiten van de gemeenteraad of van de politieraad betreffende de formatie van het operationeel personeel en de formatie van het administratief en logistiek personeel van de lokale politie worden ter goedkeuring naar de gouverneur verstuurd. Onder personeelsformatie wordt verstaan de opsomming van de graden en de vaststelling van het aantal vol- en deeltijdse statutaire betrekkingen per graad. Art. 68. De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring van de beslissing bedoeld in artikel 67 binnen 25 dagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag dat hij ze heeft ontvangen. Deze beslissing wordt uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid dan wel de overheid van de meergemeentezone verstuurd. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt de gouverneur geacht de goedkeuring te hebben verleend. Art. 69. Tegen het besluit van de gouverneur houdende niet-goedkeuring van de besluiten van de gemeenteraad, respectievelijk politieraad, betreffende de personeelsformatie, kan de gemeenteraad of politieraad, bij de minister van Binnenlandse Zaken, hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de lokale politie. Art. 70. De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het ingesteld beroep binnen een termijn van vijfentwintig dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het beroep. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteraad of de politieraad. Wanneer die termen verstreken is, is het beroep ingewilligd. Afdeling 3. - Financiën. Onderafdeling 1. - Begroting en begrotingswijzigingen. Art. 71. De besluiten van de gemeenteraad en van de politieraad betreffende de begroting van de lokale politie en de erin aangebrachte wijzigingen, alsook de besluiten betreffende de bijdrage van de gemeente die deel uitmaakt van een meergemeentezone, aan de politieraad en de erin aangebrachte wijzigingen worden (binnen de twintig dagen) voor goedkeuring naar de gouverneur verstuurd. <W 2001-12-30/30, art. 111, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Bij de begroting worden alle belagen gevoegd die vereist zijn voor de definitieve vaststelling van de begroting. De Koning bepaalt de gegevens die door de voor de vaststelling van de politiebegroting bevoegde overheden, aan de toezichthoudende overheid moeten worden toegestuurd, de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 72. § 1. De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring binnen een termijn die wordt berekend door de termijn die vastgesteld is voor het toezicht op de begroting van de gemeenten van de zone te verminderen met vijf dagen. Indien de gemeenteraad of de politieraad, ontvangsten of verplichte uitgaven die krachtens de wet gedurende het jaar waarop de politiebegroting of de bijdrage aan de politieraad betrekking heeft, ten laste van de gemeente of de meergemeentezone komen, geheel of gedeeltelijk weigert op de begroting te brengen, schrijft de gouverneur de vereiste bedragen ambtshalve in. In het geval van een meergemeentezone wijzigt de gouverneur gelijktijdig met de ambtshalve inschrijving, het bedrag van de bijdrage aan de politieraad van elk van de gemeenten die deel uitmaken van de betrokken meergemeentezone. Indien de gemeenteraad of de politieraad, ontvangsten op de politiebegroting of op de bijdrage aan de politieraad brengt die krachtens de wet gedurende het jaar waarop de begroting betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet aan de gemeente of de meergemeentezone toekomen, gaat de gouverneur naargelang het geval over tot de schrapping van het bedrag of tot de ambtshalve inschrijving van het juiste bedrag. In het geval van een meergemeentezone, wijzigt de gouverneur gelijktijdig met de ambtshalve inschrijving of schrapping, het bedrag van de bijdrage aan de politieraad van elk van de gemeenten die deel uitmaken van de betrokken meergemeentezone. § 2. De gouverneur brengt zijn besluit ter kennis van de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone, uiterlijk de laatste dag van de in § 1, eerste lid, bedoelde termijn. Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan de politiebegroting te hebben verleend. Het besluit van de gouverneur wordt aan de gemeenteraad of de politieraad, meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 73. Tegen het besluit van de gouverneur tot aanpassing van de politiebegroting of de bijdrage aan de politieraad of tegen zijn besluit houdende niet-goedkeuring, kan de gemeenteraad of de politieraad bij de minister van Binnenlandse Zaken, hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de lokale politie. Art. 74. De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het ingesteld beroep binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteraad of de politieraad. Wanneer die termijn is verstreken, is het beroep ingewilligd. Het besluit van de minister wordt aan de gemeenteraad of de politieraad, meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 75. De artikelen 72 tot 74 zijn eveneens van toepassing op de door de gemeenteraad of de politieraad in de politiebegroting aangebrachte wijzigingen, alsook op de door de gemeenteraad van de gemeenten van een meergemeentezone in de bijdrage aan de politieraad aangebrachte wijzigingen. De termijn wordt evenwel berekend door de termijn die vastgesteld is voor het toezicht op de begrotingswijzigingen van de gemeenten van de zone, te verminderen met vijf dagen. Onderafdeling 2. - De financiële bijdrage van de gemeenten tot de meergemeentezone. Art. 76. In afwijking van artikel 72, § 1, eerste lid, spreekt de gouverneur zich uit over de beslissingen met betrekking tot de bedrage verschuldigd aan de politieraad door een gemeente die deel uitmaakt van een meergemeentezone binnen een termijn van vijfentwintig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen van deze beslissing bij de gouverneur. Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan die beslissing te hebben verleend. Onderafdeling 3. - De rekeningen. Art. 77. De besluiten van de gemeenteraad of van de politieraad betreffende de rekeningen die betrekking hebben op de lokale politie worden verstuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken en naar de gouverneur. De Koning bepaalt de gegevens die door de voor de vaststelling van die rekeningen bevoegde overheden, aan de toezichthoudende overheid moeten worden opgestuurd, de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 78. De in artikel 77 bepaalde besluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de gouverneur, die zich over de goedkeuring ervan uitspreekt en de bedragen ervan vaststelt binnen een termijn van tweehonderd dagen die ingaat op de dag na het inkomen van de rekening bij de gouverneur. De gouverneur verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone, naar de bevoegde ontvanger en naar de minister van Binnenlandse Zaken. Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht aan de rekeningen zon goedkeuring te hebben verleend. Het besluit van de gouverneur wordt aan de gemeenteraad of de politieraad medegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 79. Tegen het besluit van de gouverneur betreffende de rekening die betrekking heeft op de lokale politie kunnen de gemeenteraad of de politieraad en de bevoegde ontvanger hoger beroep instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Een afschrift van het hoger beroep wordt dezelfde dag verstuurd naar de gouverneur, de bevoegde ontvanger en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Art. 80. Ingeval van hoger beroep wordt de rekening door de minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan. Bij hoger beroep overeenkomstig artikel 79 van zowel de gemeenteraad of de politieraad, als van de bevoegde ontvanger worden de beide beroepen samengevoegd. De minister van Binnenlandse Zaken stelt dan de rekening vast binnen een termijn van honderd dagen, die ingaat op de dag na het inkomen van het hoger beroep van de gemeenteraad of de politieraad. De minister van Binnenlandse Zaken verstuurt zijn besluit inzake een ingesteld beroep uiterlijk de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde termijn naar de gouverneur, de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone en naar de bevoegde ontvanger. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit van de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone is verstuurd, is het beroep ingewilligd; in geval van hoger beroep van de bevoegde ontvanger alleen, is het hoger beroep verworpen. Art. 81. De artikelen 78 tot 80 zijn eveneens van toepassing op de eindrekening van de bevoegde ontvan er. Onderafdeling 4. - Toezicht inzake de boekhouding en kas. Art. 82. § 1. Bij weigering of vertraging in de betaalbaarstelling van de uitgaven inzake de politie die de wet aan de gemeenten of de meergemeentezones oplegt, hoort de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege en beveelt indien nodig, de onmiddellijke betaling van bedoelde uitgaven. Tegen het besluit waarbij de gouverneur krachtens het vorige lid ambtshalve een bevelschrift uitvaardigt, kan het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege hoger beroep instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat na het versturen van het besluit. De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het hoger beroep binnen een termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen ervan, en verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit is verstuurd, is het hoger beroep van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, ingewilligd. § 2. Tegen het besluit waarbij de gouverneur, bij weigering tot betaling door de bevoegde ontvanger, een regelmatig bevelschrift uitvoerbaar verklaart, kan de bevoegde ontvanger bij de minister van Binnenlandse Zaken hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na ontvangst van dit besluit. De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich over het hoger beroep uit binnen een termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen ervan en geeft kennis van zijn besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de gouverneur, naar de ontvanger en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit is verstuurd, is het besluit van de gouverneur uitvoerbaar. De definitieve beslissing tot betaling geldt als een regelmatig en door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift. Art. 83. De minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur onderzoeken de boekhouding en de kas van de gemeente of de meergemeentezone, telkens zij dit nodig achten. Van elk onderzoek wordt een procesverbaal opgemaakt dat aan de gemeenteraad of de politieraad, wordt voorgelegd. Onderafdeling 5. - Schuldherschikking. Art. 84. De besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, waardoor de financiële lasten van de leningen opgenomen voor het financieren van de lokale politie worden herschikt, worden ter goedkeuring naar de gouverneur verstuurd. De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad of de politieraad, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan en verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Wanneer de voormelde termen is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan de schuldherschikking te hebben verleend. Afdeling 4. - Algemeen administratief toezicht op overige handelingen van de gemeentelijke instellingen. Art. 85. Van de besluiten van de gemeenteraad over aangelegenheden die de lokale politie betreffen en van de besluiten van de politieraad wordt (binnen de twintig dagen) een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden aan de gouverneur verstuurd. Het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege bevestigt bij die zending dat de bepalingen inzake de openbaarheid, bedoeld in het tweede lid, worden nageleefd. <W 2001-12-30/30, art. 112, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Op dezelfde dag van de verzending aan de gouverneur wordt de in het eerste lid bedoelde lijst door middel van een aanplakbrief bekendgemaakt. De brief blijft minstens tien dagen aangeplakt. De aanplakbrief vermeldt tevens de agenda van de raadszitting, de duur en de plaats waar de lijst minstens tien dagen ter inzage ligt van het publiek. Art. 86. Onverminderd de bepalingen van artikel 85 moet een voor eensluidend verklaard afschrift naar de gouverneur worden gestuurd van de hierna vernoemde besluiten : 1° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, genomen ingevolge bevoegdheidsdelegatie door de gemeenteraad of de politieraad, waarbij de gunningswijze en de voorwaarden worden bepaald van opdrachten tot aanneming van werken, leveringen en diensten waarvoor de besluiten en normen bedoeld in hoofdstuk II van titel IV van deze wet toepasselijk zijn, alsmede de gunningsbesluiten van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, genomen in uitvoering van voormelde besluiten; 2° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, betreffende de uitgaven die door dringende en onvoorziene omstandigheden worden vereist; 3° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad houdende aanwerving, benoeming en bevordering van de leden van de lokale politie. (4° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van de burgemeester of het politiecollege houdende de voordracht voor de aanstelling tot korpschef van de lokale politie) <W 2002-08-02/45, art. 161, 011; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Art. 87. § 1. De gouverneur schorst bij gemotiveerd besluit en binnen de termijnen bepaald in artikel 88, de uitvoering van de in de artikelen 85 en 86 bepaalde besluiten, waarbij een gemeenteoverheid of een overheid van een meergemeentezone de wets- en verordeningsbepalingen met betrekking tot de lokale politie, de in de artikelen 141 en 142 bepaalde uitrustings-, werkings- en organisatienormen, of de goedgekeurde personeelsformatie schendt. Een afschrift van het schorsingsbesluit wordt zonder verwijl naar de minister van Binnenlandse Zaken verzonden. § 2. De gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone kan het geschorste besluit intrekken en geeft daarvan kennis aan de gouverneur. Zij kan een geschorst besluit gemotiveerd rechtvaardigen binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het versturen van het schorsingsbesluit van de gouverneur naar de gemeente of de meergemeentezone en stuurt dit rechtvaardigingsbesluit op straffe van nietigheid van het geschorste besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de minister van Binnenlandse Zaken. Een afschrift wordt naar de gouverneur gestuurd. § 3. Ingeval van rechtvaardiging kan de minister van Binnenlandse Zaken bij gemotiveerd besluit het geschorste besluit waarbij de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone de in § 1 aangehaalde bepalingen schendt, vernietigen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het rechtvaardigingsbesluit. Het vernietigingsbesluit wordt uiterlijk de laatste dag van die termijn van veertig dagen naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone verstuurd. Een afschrift wordt naar de gouverneur gestuurd. Indien de bevoegde minister de termijn voor vernietiging laat verstrijken, is de schorsing ambtshalve opgeheven. § 4. Onverminderd de schorsingsbevoegdheid van de gouverneur kan de minister van Binnenlandse Zaken, bij gemotiveerd besluit en binnen (de termijnen bepaald in artikel 88) het besluit vernietigen waarbij de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone de in § 1 aangehaalde bepalingen schendt. Een afschrift van het vernietigingsbesluit wordt naar de gouverneur gestuurd. <W 2001-12-30/30, art. 113, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Art. 88. § 1. (De in artikel 85 (en in artikel 86) bepaalde besluiten zijn niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging door de overheden bedoeld in artikel 87 indien deze hun beslissing niet hebben genomen en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentenzone hebben verstuurd binnen een termijn van respectievelijk vijfentwintig dagen, wat de schorsing door de gouverneur betreft, en veertig dagen, wat de vernietiging door de minister van Binnenlandse Zaken betreft. Die termijnen gaan in de dag volgend op (het inkomen van de in artikel 85 bedoelde lijst en van het in artikel 86 bedoelde besluit bij de in artikel 87 bedoelde toezichthoudende overheden).) <W 2001-12-30/30, art. 114, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2002-08-02/45, art. 162, 011; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Deze termijn wordt gestuit door de verzending van een ter post aangetekende brief waarbij de toezichthoudende overheid het dossier betreffende een bepaald besluit bij de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone opvraagt of bijkomende inlichtingen inwint. Een door de toezichthoudende overheid opgevraagd besluit van een gemeenteoverheid of een overheid van een meergemeentezone is niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging na het verstrijken van (de termijnen bepaald in het eerste lid), waarbinnen de toezichthoudende overheid haar besluit moet versturen, en die ingaat op de dag volgend op de ontvangst, hetzij van het bij aangetekende zending toegestuurde of tegen ontvangstbewijs afgegeven dossier, hetzij van de in het tweede lid bedoelde bijkomende inlichtingen. <W 2001-12-30/30, art. 114, 009; ED : 01-01-2002> § 2. (...) <W 2002-08-02/45, art. 162, 011; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Afdeling 5. - Dwangtoezicht. Art. 89. De minister van Binnenlandse Zaken of de gouverneur kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit briefwisseling blijkende waarschuwing, een of meer bijzondere commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op de persoonlijke kosten van de gemeentelijke overheidspersoneel of van de overheidspersonen van de meergemeentezone die verzuimd hebben aan de waarschuwing gevolg te geven, teneinde gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die voortvloeien uit verplichtingen welke aan de toepassing van deze wet zon verbonden. De invordering van de kosten, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door de ontvanger op zicht van een daartoe getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld en dat geldt als een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift. HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen. Art. 90. De gemeenteraad of de politieraad kan een reglement vaststellen betreffende de inning van een vergoeding voor opdrachten van bestuurlijke politie van de lokale politie. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de nadere regels van deze inning. Art. 91. De Koning richt een Vaste Commissie van de lokale politie op. Op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken of andere betrokken ministers, van het college van de procureurs-generaal, van een gouverneur of een burgemeester of op eigen initiatief onderzoekt deze commissie en geeft advies omtrent alle problemen betreffende de lokale politie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling, de verkiezings- en werkwijze van deze commissie. TITEL III. - De federale politie. HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling. Art. 92. De federale politie bereidt het nationaal veiligheidsplan voor en draagt, met al haar algemene directies en diensten, bij tot de uitvoering ervan. Onverminderd artikel 4, omvat het nationaal veiligheidsplan, wat de federale politie betreft : 1° de opdrachten en de prioritaire doelstellingen van de federale politie, bepaald door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, en de wijze waarop zij moeten worden verwezenlijkt; 2° de verdeling van de personele en materiële middelen over de algemene directies en diensten. HOOFDSTUK II. - Algemene organisatie. Art. 93. <W 2006-06-20/34, art. 13, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> § 1. De federale politie bestaat uit : 1° het commissariaat-generaal; 2° drie algemene directies, zijnde de algemene directie bestuurlijke politie, de algemene directie gerechtelijke politie en de algemene directie van de ondersteuning en het beheer. Het commissariaat-generaal en de algemene directies bestaan uit centrale en gedeconcentreerde directies en diensten, waaronder : 1° de gedeconcentreerde coördinatie- en steundirecties; 2° de gedeconcentreerde gerechtelijke directies; 3° de arrondissementele informatiekruispunten; 4° de communicatie- en informatiecentra. Voor het overige, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 100bis tot 102bis, bepaalt de Koning de organisatie in directies en diensten van het commissariaat-generaal en de algemene directies. § 2. Alle algemene directies, directies en diensten van de federale politie ressorteren onder de commissaris-generaal. Art. 94. Het ambtsgebied en de zetel van de (gedeconcentreerde directies en diensten van de federale politie bedoeld in artikel 93, § 1, tweede lid, 1° tot 3°,) zijn die van de gerechtelijke arrondissementen, behoudens uitzonderingen wegens bijzondere omstandigheden. In dat geval, bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het ambtsgebied en de zetel van de gedeconcentreerde (directies en) diensten om rekening te houden met die bijzondere omstandigheden. <W 2006-06-20/34, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Art. 95. Programma's die in het raam van de bestrijding of de opvolging van specifieke fenomenen een geïntegreerde gerechtelijke en bestuurlijke aanpak vereisen, worden uitgewerkt door de algemene directie gerechtelijke politie, onder het gezag van de twee ministers, zonder afbreuk te doen aan hun respectieve bevoegdheden. Art. 96. Leden van de lokale politie worden, voor een éénmaal hernieuwbaar mandaat, gedetacheerd in de algemene directies en in de diensten van de federale politie belast met de steun aan de lokale politie, alsook in de andere diensten van de federale politie van wie de bevoegdheden een weerslag hebben op de werking van de lokale politie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de in het eerste lid bedoelde functies waarin leden van de lokale politie voor leidinggevende functies worden aangewezen, evenals de duur van het mandaat en de nadere regels betreffende de detacheringen bedoeld in dit artikel. (De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid worden door de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen na advies van de Vaste Commissie van de lokale politie en van de adviesraad van burgemeesters. Voor de leden van de lokale politie aangewezen bij de algemene directie gerechtelijke politie, wordt het eensluidend advies van de minister van Justitie eveneens ingewonnen.) <W 2002-04-26/30, art. 108, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid onderhouden met de Vaste Commissie van de lokale politie en met de adviesraad van de burgemeesters geregelde dienstbetrekkingen aangaande hun aanwending binnen de federale politie. Art. 96bis. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 109, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De politiezones dragen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, door middel van de inzet van personeel, bij tot de werking van de communicatie- en informatiecentra. De Koning kan eveneens bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden bepalen waaronder politiezones deze inzet van personeel kunnen vervangen door een equivalente financiële inbreng. HOOFDSTUK III. - Gezag, leiding en bevoegdheden. Art. 97. Voor het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie staat de federale politie onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. Onverminderd de eigen bevoegdheden die de gerechtelijke overheden rechtstreeks ten overstaan van de federale politie uitoefenen, staat zij voor het vervullen van haar opdrachten van gerechtelijke politie onder het gezag van de minister van Justitie, die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. De bevelen en onderrichtingen met betrekking tot een bepaald strafrechtelijk onderzoek kunnen slechts worden gegeven op verzoek van de bevoegde gerechtelijke overheid. Voor de uitvoering van de opdrachten die betrekking hebben op de politie van de hoven en rechtbanken, onverminderd de bepalingen van de artikelen 759 tot 763 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 31 en 32 van het Wetboek van Strafrechtspleging voor het leger en de artikelen 181, 267, tweede lid, 506 en 507 van het Wetboek van Strafvordering, op de politie van de gevangenissen en op de bescherming van de overbrenging van gevangenen, staat de federale politie onder het gezag van de minister van Justitie die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. Art. 98. Overeenkomstig de wettelijke bepalingen leggen de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie gezamenlijk de algemene principes vast inzake de organisatie, de werking en het algemeen beheer van de federale politie die onder hun gezag staat om inzonderheid een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren. Zij bepalen gezamenlijk de bevoegdheden van de commissaris-generaal, de bestuurlijke directeurs-coördinatoren en de (gerechtelijke directeurs), alsook de bevoegdheden van de directeurs-generaal die over bevoegdheden zullen beschikken inzake de interne organisatie van hun algemene directie en het beheer ervan inzake personeel, werking en investeringen. <W 2006-06-20/34, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De handtekening van de minister van Binnenlandse Zaken en die van de minister van Justitie zijn inzonderheid vereist voor de organieke koninklijke besluiten betreffende de federale politie en voor de beleidsnota met betrekking tot de federale politie in het raam van het ontwerp van algemene uitgavenbegroting. Behoudens andere wettelijke en reglementaire bepalingen, wordt het dagelijks beheer van de federale politie toegewezen aan de minister van Binnenlandse Zaken. Wanneer de afhandeling van die dossiers de algemene directie van de gerechtelijke politie, de (gedeconcentreerde gerechtelijke directies) of het informatiebeheer rechtstreeks beïnvloedt, betrekt hij daar de minister van Justitie bij, volgens de regels die zij daartoe samen bepalen. <W 2006-06-20/34, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Art. 99. De federale politie staat onder leiding van de commissaris-generaal. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering, door de federale politie, van het politiebeleid dat is bepaald door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, en, meer in het bijzonder, voor de uitvoering van het nationaal veiligheidsplan wat de federale politie betreft. Hij (heeft de leiding over en) verzekert de coördinatie tussen de algemene directies, ziet er op toe dat de nodige steun aan de operaties wordt verleend en is verantwoordelijk voor de dagelijkse werking van de federale politie. Hij staat borg voor de geïntegreerde uitvoering van de opdrachten van de federale politie en ziet er in het bijzonder op toe dat de bestuurlijke directeur-coördinator en de (gerechtelijke directeur) hun activiteiten coördineren. <W 2006-06-20/34, art. 16, 021; ED : 01-03-2007> Wanneer hun bevelen, onderrichtingen en richtlijnen specifiek betrekking hebben op de bevoegdheden van de algemene directie van de bestuurlijke politie of van de algemene directie van de gerechtelijke politie, kunnen respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie die rechtstreeks geven aan de directeur-generaal van één van die algemene directies. Deze laatste licht de commissaris-generaal hiervan onverwijld in. Binnen het raam vastgelegd overeenkomstig artikel 98, eerste lid, bepaalt de commissaris-generaal de organisatie van de diensten. Art. 100. De algemene directies staan onder leiding van de directeurs-generaal. Zonder zich te kunnen inmengen in de uitvoering van opsporings- of gerechtelijke onderzoeken, herroept de commissaris-generaal de beslissingen van een directeur-generaal die het nationaal veiligheidsplan schenden of die afbreuk doen aan de werking van andere algemene directies of aan de coherente werking van de federale politie. De beslissing van de commissaris-generaal wordt in dit geval genomen onder het gezag van, en kan op haar beurt worden herroepen door, de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken die gezamenlijk optreden, hetzij op initiatief van een van hen, hetzij op verzoek van een van de federale magistraten die aangesteld zijn bij de federale politie ieder in het raam van zijn bevoegdheden, of van de betrokken directeur-generaal. Indien de beslissing van de commissaris-generaal een weerslag heeft op een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, wordt het voorafgaand advies van de federaal procureur ingewonnen. Art. 100bis. <Ingevoegd bij W 2006-06-20/34, art. 17; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De commissaris-generaal waakt over de doelmatige en doeltreffende werking van de federale politie en de toepassing van de beginselen van specialiteit en subsidiariteit. Hij draagt bij tot een optimale geïntegreerde werking van de twee politiecomponenten, in het bijzonder door toe te zien op de uitvoering van de steunopdrachten door zijn eigen directies en diensten en door de algemene directies. Daartoe pleegt hij regelmatig overleg met de vertegenwoordigers van de lokale politie. In dat raam verzekert het commissariaat-generaal inzonderheid de volgende opdrachten : 1° de vergaring en de exploitatie van de operationele politionele informatie; 2° het definiëren en het opvolgen van het beleid inzake internationale politiesamenwerking; 3° het beheer van de relaties met de lokale politie; 4° het organiseren van speciale eenheden ten bate van alle politiediensten. Art. 101. <W 2006-06-20/34, art. 18, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De algemene directie bestuurlijke politie is belast met gespecialiseerde en supralokale opdrachten van bestuurlijke politie en, in dat raam, met steunopdrachten aan de lokale overheden en politiediensten. De directeur-generaal bestuurlijke politie draagt bij tot een optimale geïntegreerde werking, in het bijzonder door toe te zien op de uitvoering van de steunopdrachten door zijn eigen directies en diensten. In dat raam verzekert de algemene directie bestuurlijke politie inzonderheid de volgende opdrachten : 1° de leiding en de operationele coördinatie van de opdrachten van bestuurlijke politie van de centrale diensten van de federale politie; 2° de gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie en de ondersteuning van de politieopdrachten; 3° de organisatie van de federale interventiereserve; 4° de ondersteuning van de gedeconcentreerde opdrachten van bestuurlijke politie van de bestuurlijke directeurs-coördinatoren. Art. 102. <W 2006-06-20/34, art. 19, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De algemene directie gerechtelijke politie is belast met gespecialiseerde en supralokale opdrachten van gerechtelijke politie en, in dat raam, met steunopdrachten aan de lokale overheden en politiediensten. De directeur-generaal gerechtelijke politie draagt bij tot een optimale geïntegreerde werking, in het bijzonder door toe te zien op de uitvoering van de steunopdrachten door zijn eigen directies en diensten. In dat raam verzekert de algemene directie gerechtelijke politie inzonderheid de volgende opdrachten : 1° de exploitatie van de gerechtelijke informatie die noodzakelijk is voor de aanwending door de geïntegreerde politie; 2° de leiding en de operationele coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie van de centrale diensten van de federale politie; 3° de operationele coördinatie, de controle en de ondersteuning van de gedeconcentreerde gerechtelijke directies; 4° de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie en de ondersteuning van de politieopdrachten; 5° de technische en wetenschappelijke politie, onverminderd de bevoegdheden van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie. Art. 102bis. <Ingevoegd bij W 2006-06-20/34, art. 20; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De algemene directie van de ondersteuning en het beheer wordt belast met niet-operationele steunopdrachten ten bate van de federale politie en met bepaalde steunopdrachten ten bate van de lokale overheden en politiediensten. De directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer draagt bij tot een optimale geïntegreerde werking, in het bijzonder door toe te zien op de uitvoering van de steunopdrachten door zijn eigen directies en diensten. In dat raam verzekert de algemene directie van de ondersteuning en het beheer, inzonderheid het beheer van de human ressources en de materiële en financiële middelen. Art. 103. De bestuurlijke directeur-coördinator leidt en organiseert de gedeconcentreerde coördinatie- en (steundirectie) en waakt er met name over alle maatregelen te nemen ter voorbereiding van het beheren, op bovenlokaal niveau van crisisgebeurtenissen, crisissituaties, van ramp, onheil of schadegeval. <W 2006-06-20/34, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De bestuurlijke directeur-coördinator onderhoudt geregelde dienstbetrekkingen met de arrondissementscommissaris en de gouverneur. Voor de uitvoering van zijn opdrachten handelt de bestuurlijke directeur-coördinator conform de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen van de commissaris-generaal en van de directeurs-generaal. Hij stemt zijn activiteiten af op die van de (gerechtelijke directeur). <W 2006-06-20/34, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> (De bestuurlijke directeur-coördinator ressorteert rechtstreeks onder de commissaris-generaal.) <W 2006-06-20/34, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Art. 104. De bestuurlijke directeur-coördinator wordt belast met : 1° het beantwoorden van de aanvragen tot technische, administratieve en operationele ondersteuning van de lokale politie, met uitzondering van de ondersteuning inzake gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie bedoeld bij artikel 102; 2° de coördinatie, op vraag van de bevoegde overheden van bestuurlijke politie, van de ondersteuning door het federaal niveau voor de bovenlokale opdrachten van bestuurlijke politie; 3° de coördinatie, op vraag van de bevoegde overheden, van de ondersteuning door het federaal niveau voor de bovenlokale opdrachten die zowel een component van bestuurlijke politie als van gerechtelijke politie bevatten; 4° de leiding van de gedeconcentreerde federale diensten van bestuurlijke politie; 5° het deelnemen aan de zonale veiligheidsraad en het verlenen van bijstand aan de lokale bestuurlijke of gerechtelijke overheden die daarom verzoeken; 6° verslag uitbrengen bij de commissaris-generaal over de uitvoering van de federale opdrachten door de lokale polities; 7° de coördinatie en de leiding van de politieoperaties overeenkomstig de artikelen 7/1 tot 7/3 van de wet op het politieambt met uitzondering van de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie, bedoeld bij artikel 102. Art. 105. (De gedeconcentreerde gerechtelijke directie voert de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie uit die haar overeenkomstig artikel 5, tweede en derde lid, van de wet op het politieambt zijn toevertrouwd. Zij staat onder leiding van de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke directie, gerechtelijke directeur genoemd.) <W 2006-06-20/34, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Daartoe leidt en organiseert de gerechtelijke directeur zijn (directie) en coördineert hij de uitvoering van die opdrachten door de leden van zijn dienst. Hij handelt conform de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen vanwege de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie, onverminderd artikel 99, tweede lid, en het zesde lid van dit artikel. <W 2006-06-20/34, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Hij stemt zijn activiteiten af op die van de bestuurlijke directeur-coördinator. Om de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie te verzekeren tussen de lokale politie en de gedeconcentreerde gerechtelijke (directie), detacheert de (gerechtelijke directeur) één of meer verbindingsambtenaren bij één of meer lokale polities. Het aantal verbindingsambtenaren is afhankelijk van de belangrijkheid van de gerechtelijke opdrachten van die lokale polities. Tijdens de duur van hun detachering blijven de verbindingsambtenaren ressorteren onder de (gerechtelijke directeur) en beschikken zij over geen enkel hiërarchisch gezag over de lokale politie. <W 2006-06-20/34, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> De gerechtelijke directeur en de verbindingsambtenaren verzekeren de ondersteuning van de opsporingsdiensten van de lokale polities. In bijkomende orde oefenen de gedeconcentreerde gerechtelijke (directies) ook gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie uit. <W 2006-06-20/34, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> Art. 105bis. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 110; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Het arrondissementeel informatiekruispunt vervult, in de omschrijving waarvoor het bevoegd is, een ondersteunende rol bij de verwerking van informatie. Het arrondissementeel informatiekruispunt vervult zijn opdrachten zowel ten behoeve van de federale politie als van de lokale politie en bijgevolg dragen de federale politie en de lokale politie daadwerkelijk bij tot de samenstelling en de werking ervan. Het dagelijks logistiek en administratief beheer van het arrondissementeel informatiekruispunt gebeurt door de bestuurlijke directeur-coördinator. Het functioneel beheer van de gerechtelijke informatie wordt waargenomen door de gerechtelijke directeur, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. Het functioneel beheer van de bestuurlijke informatie wordt waargenomen door de bestuurlijke directeur-coördinator, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels betreffende de samenstelling en de nadere werkingsregels van de informatiekruispunten bepalen. HOOFDSTUK IV. - Personeel. Art. 106. De wet bepaalt elk jaar het effectief van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de federale politie. Diezelfde wet legt het minimale deel van elk kader vast dat zal worden toegewezen aan de algemene directie van de gerechtelijke politie en aan de gerechtelijke gedeconcentreerde diensten. De Koning legt de gedetailleerde regels vast volgens dewelke de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de lokale politie zich kandidaat kunnen stellen voor een ambt bij de federale politie. Art. 107. De commissaris-generaal en de directeurs-generaal worden door de Koning aangewezen voor hun ambt (...), op voordracht van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en na gemotiveerd advies van de federale politieraad (waarin, voor de hernieuwing van de aanwijzing van de commissaris-generaal, deze laatste geen zitting houdt). De aanwijzing van de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie gebeurt bovendien na gemotiveerd advies van het college van procureurs-generaal. <W 2001-04-02/34, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-06-20/34, art. 23, 1°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De bestuurlijke directeur-coördinator wordt door de Koning aangewezen voor zijn ambt (...) op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en na gemotiveerd advies van de minister van Justitie en van de gouverneur. <W 2006-06-20/34, art. 23, 2°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De gerechtelijke directeur wordt door de Koning voor zijn ambt aangewezen (...), op voordracht van de minister van Justitie en na gemotiveerd advies van de minister van Binnenlandse Zaken en van de territoriaal bevoegde procureur generaal bij het hof van beroep. <W 2006-06-20/34, art. 23, 3°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> (Een mandaat in de federale politie kan vroegtijdig worden beëindigd wanneer, op grond van een evaluatie door de evaluatiecommissie, in voorkomend geval na advies van de respectieve instanties bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, en nadat de betrokkene werd gehoord, blijkt dat deze een evaluatie " onvoldoende " behaalt. De Koning bepaalt de voorwaarden voor de herplaatsing van de mandaathouders van wie het mandaat niet wordt hernieuwd of wordt beëindigd.) <W 2006-06-20/34, art. 23, 4°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Niemand kan worden aangewezen voor (een mandaat in de federale politie,) tenzij hij geschikt werd verklaard door een selectiecommissie. Die aanwijzingen worden hernieuwd op basis van een advies van een evaluatiecommissie. Voor het overige bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en procedure om voor deze ambten te worden aangewezen, evenals de evaluatieprocedure. Hij bepaalt eveneens de nadere regels voor de oprichting en de werking van de selectiecommissie en van de evaluatiecommissie. De hiërarchische oversten van de federale politie brengen een advies uit voorafgaandelijk aan elke benoeming tot de betrekkingen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid en behalve wat de commissaris-generaal betreft, aan elke Vernieuwing van het mandaat van betrokkenen. <W 2006-06-20/34, art. 23, 5°, 021; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Het personeelslid dat een mandaat bekleedt, kan tijdens dat mandaat, door een gezamenlijke beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, worden aangewezen voor een andere betrekking van een op zijn minst gelijkwaardig niveau in een andere algemene directie of dienst van de federale politie wanneer deze maatregel noodzakelijk is voor de optimale werking van deze algemene directie of deze dienst. De Koning bepaalt de termijn binnen dewelke het advies van de ministers, de gouverneur en de procureur-generaal bij het hof van beroep in het raam van een aanwijzingsprocedure moet worden verstrekt. Eenmaal die termijn verstreken, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden tot aanwending van de officieren waarvan het mandaat niet werd hernieuwd of werd beëindigd. Art. 108. De Koning bepaalt de regeling van de aanwijzingen die noodzakelijk zijn binnen de federale politie om haar opdrachten uit te voeren. Art. 108bis. <Ingevoegd bij W 2006-06-20/34, art. 24; Inwerkingtreding : 26-07-2006> De hogere officieren worden door de Koning benoemd. De benoeming van de hogere officieren die zijn aangewezen bij een gedeconcentreerde gerechtelijke directie geschiedt na gemotiveerd advies van de territoriaal bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep. De niet-hogere officieren worden door de minister benoemd. De benoeming van de niet-hogere officieren die zijn aangewezen bij een gedeconcentreerde gerechtelijke directie geschiedt na gemotiveerd advies van de territoriaal bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep. De personeelsleden van het administratief en logistiek kader van niveau A worden door de minister benoemd of aangeworven. De andere personeelsleden worden benoemd of aangeworven door de directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer van de federale politie of door de directeur van de dienst die hij aanwijst. HOOFDSTUK V. - De vorderingen. Art. 109. De vorderingen van de burgemeester tot het bekomen van de medewerking van de federale politie voor de uitvoering van haar opdrachten van bestuurlijke politie, worden gericht aan de territoriaal bevoegde bestuurlijke directeur-coördinator. Art. 110. De vorderingen van gerechtelijke politie tot het bekomen van de medewerking van de federale politie worden door de bevoegde gerechtelijke overheden gericht aan de (gerechtelijke directeur), aan de bestuurlijke directeur-coördinator of aan de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie voor de diensten die onder hun bevoegdheden ressorteren. <W 2006-06-20/34, art. 25, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2007> HOOFDSTUK VI. - Samenwerking met de krijgsmacht. Art. 111. De commissaris-generaal en de officieren die worden aangewezen door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Landsverdediging, kunnen voor de handhaving van de openbare orde en de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie, wanneer de middelen van de federale politie ontoereikend blijken, de bijstand vorderen van de krijgsmacht, wanneer deze de enige is die de noodzakelijke technische en menselijke middelen kan leveren. Art. 112. Op verzoek van de minister van Landsverdediging, leveren de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie de nodige detachementen van de federale politie om op bepaalde plaatsen, buiten het grondgebied van het Rijk, de politie van de militairen te verzekeren. Deze detachementen staan onder het bevel van de door de ministers aangewezen overheid. De federale politie mag in vredestijd door de bevoegde gerechtelijke overheden niet worden gelast dagvaardingen aan partijen en getuigen te bezorgen, behalve in de omstandigheden bedoeld in het eerste lid. Art. 113. Bij gebeurtenissen die de openbare orde ernstig in gevaar kunnen brengen of bij ernstige of algemene onlusten, die aanleiding zouden kunnen geven tot het vorderen of het inzetten van de krijgsmacht, geeft de federale politie aan de territoriale militaire overheden daarvan kennis, houdt hen op de hoogte van het verloop der gebeurtenissen en verstrekt hen de nodige gegevens om te zijner tijd de voorbereidende maatregelen te treffen voor enige vordering of voor het ingrepen van de krijgsmacht. HOOFDSTUK VII. - Diverse bepalingen. Art. 114. De uitgaven voor de federale politie maken het voorwerp uit van een sectie van de algemene uitgavenbegroting. De basisallocaties met betrekking tot de algemene directie van de gerechtelijke politie worden samengebracht in een afzonderlijke organisatieafdeling. Art. 115. <W 2002-04-26/30, art. 124, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> § 1. Gedurende de periode tijdens dewelke Landsverdediging en de federale politie hun wederzijdse steun moeten voortzetten, is de minister van Binnenlandse Zaken ertoe gemachtigd de aan Landsverdediging geleverde prestaties te valoriseren en de van Landsverdediging ontvangen prestaties te vergoeden op basis van de meerkosten. In voorkomend geval worden de door Landsverdediging verschuldigde sommen toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken is ertoe gemachtigd om de middelen van de federale politie te verhogen door vrijwillige bijdragen, geldelijk of in materieel, van de Europese Unie, van supranationale publiekrechtelijke organismen, van de federale overheden, van de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de meergemeentezones of de gemeenten, en toegekend in het raam van de uitoefening van de opdrachten die bij wet aan de federale politie zijn toevertrouwd. De financiële middelen die aldus zijn verworven worden toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. § 3. In de gevallen waarin het beroep op de federale politie niet krachtens de wet is geregeld, is de Minister van Binnenlandse Zaken ertoe gemachtigd om personeelsleden en goederen van de federale politie in te zetten in het raam van tegen betaling uitgevoerde prestaties van openbaar nut, voor zover : 1° de wettelijke opdrachten niet in het gedrang worden gebracht; 2° de prestaties een humanitair of cultureel oogmerk hebben of strekken tot hulp aan de natie; 3° de prestaties bestaan uit de terbeschikkingstelling van personeel of onroerende goederen, het uitlenen van goederen, de levering van verbruiksgoederen of de levering van diensten. De ontvangsten voortvloeiend uit deze prestaties worden toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. § 4. De Minister van Binnenlandse Zaken is ertoe gemachtigd om, op verzoek van een rechtspersoon, uitzonderlijke opdrachten van bestuurlijke politie die een bijzondere aanwending van personeel of materieel vereisen, door de federale politie te laten uitvoeren. De ontvangsten voortvloeiend uit deze prestaties worden toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. De uitzonderlijke opdrachten van bestuurlijke politie die zijn uitgevoerd in het belang van een federaal publiekrechtelijk persoon die geen financiële of commerciële activiteiten uitoefent, geven geen aanleiding tot een terugbetaling. § 5. (Worden aan een organiek begrotingsfonds toegewezen, de betalingen uitgevoerd door : 1° de meergemeentepolitiezones of de gemeenten voor de leveringen van kledij en uitrusting aan de leden van de lokale politie binnen de toegekende basishoeveelheid of de voorschotten die hiervoor worden gestort; 2° leden van de federale of de lokale politie voor de leveringen van kledij en uitrusting die de hen individuele toegekende basishoeveelheid overschrijden.) <W 2003-12-22/42, art. 404, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2002> § 6. De minister van Binnenlandse Zaken of de door hem gedelegeerde ordonnateur, wordt ertoe gemachtigd om, op voorwaarde dat de principes vervat in de wetgeving inzake overheidsopdrachten worden nageleefd, materieel, dat overtollig, economisch afgeschreven of technologisch verouderd is, alsmede afvalprodukten, te vervreemden. De vervreemding kan plaatsgrijpen in het raam van volgende verbintenissen : 1° een overheidsopdracht voor werken of diensten waarbij de producten die het voorwerp uitmaken van de opdracht of die voortkomen uit de uitvoering ervan, aan de medecontractant worden afgestaan ter gehele of gedeeltelijke betaling van de door hem geleverde prestaties; 2° een ruilovereenkomst inzake materieel, waren, wapens en munitie met het oog op de verwerving van gelijkaardige goederen. Wanneer de verrichtingen vermeld in de overeenkomst tot regeling van deze vervreemdingen, ontvangsten opleveren, worden deze toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. § 7. De minister van Binnenlandse Zaken of de door hem gedelegeerde ordonnateur, wordt gemachtigd om overtollig materieel, dieren en/of goederen kosteloos af te staan : 1° hetzij aan derde landen in het raam van de hulpverlening, waarbij tevens beperkte diensten in verband daarmee aan deze landen kunnen geleverd worden; 2° hetzij aan organieke diensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met het oog op de optimale aanwending van de middelen binnen het departement. § 8. De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de aard, de nadere regels van de aanvragen en de betalingen evenals van de berekeningen van de kosten en de valorisaties gekoppeld aan de aanvragen en betalingen bedoeld in §§ 1 tot 7. (§ 8bis. De minister van Binnenlandse Zaken wordt gemachtigd om de betalingen in ontvangst te nemen en te affecteren die gedaan worden door personeelsleden of andere derden : 1° tot vergoeding van het oneigenlijke gebruik, het verlies van of de schade aan het materieel van de federale politie; 2° tot betaling van hun aandeel in de facturen voor verbintenissen die werden afgesloten door de federale politie, maar die door de medecontractant niet rechtstreeks aan deze derden kunnen gefactureerd worden. De ontvangsten bedoeld in het eerste lid worden toegewezen aan een organiek begrotingsfonds.) <W 2006-12-27/30, art. 269, 1°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> § 9. In het raam van de steun van het federaal niveau van de geïntegreerde politie aan het lokale niveau, wordt de minister van Binnenlandse Zaken gemachtigd materieel, goederen en diensten aan de meergemeentezones en aan de gemeenten te leveren. Deze leveringen gebeuren : 1° hetzij van ambtswege en kosteloos, indien zij kaderen in de algemene steunopdrachten waarvan de lasten door de algemene uitgavenbegroting worden gedragen; 2° hetzij op aanvraag maar tegen betaling, in de andere gevallen. De aldus gerealiseerde ontvangsten worden toegewezen aan een organiek begrotingsfonds. In beide gevallen wordt de eigendomsoverdracht van het materieel in de inventarissen van de federale politie geacteerd. § 10. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard van de steunopdrachten die, door het federale niveau van de geïntegreerde politie kosteloos aan het lokale niveau worden geleverd. Voor de prestaties die tegen betaling worden geleverd bepaalt de Koning de regels voor het aanvragen van de prestaties, voor het bepalen van de aan te rekenen kostprijs en voor de invordering ervan. (Met het oog op de prefinanciering van een werkingsvoorraad ten behoeve van de lokale politie, mogen de variabele kredieten, ingeschreven op de (basisallocatie 17-90-51-1222) van de algemene uitgavenbegroting en verbonden aan het begrotingsfonds 17-2 Fonds voor de levering van kledij en uitrusting tegen betaling aan het personeel van de politiediensten, zoals opgericht bij de programmawet van 22 december 2003, zowel in vastlegging als in ordonnancering, worden aangewend ook indien het beschikbare saldo op het fonds negatief is. <W 2006-12-27/30, art. 269, 2°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Het aldus op het fonds toegelaten debetsaldo zal jaarlijks bij begrotingsbijbepaling worden vastgesteld.) <W 2003-12-22/42, art. 404, 014; ED : 30-04-2002> (De Koning legt eveneens bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de te volgen regels vast in geval van niet betaling door de meergemeentenpolitiezones en de gemeenten van leveringen van goederen of diensten bedoeld in § 5, 1°, en in § 9, 2° (inclusief de uitgaven voor energie en telefonie, de detacheringen zoals bedoeld in artikel 406 van de programmawet van 22 december 2003 en de inzet van het interventiekorps) die werden geprefinancierd door de federale politie.) <W 2006-12-27/30, art. 269, 3°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> (Indien bij niet-betaling door de meergemeentezones en de gemeenten van de aan hen gedane leveringen (van goederen of diensten), bedragen worden ingehouden op de dotaties die hen worden toegekend, mogen de aldus gereserveerde kredieten : <W 2006-12-27/30, art. 269, 4°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> 1° indien de niet-vereffende facturen prestaties betreffen bedoeld in § 9, 2° (inclusief de uitgaven voor energie en telefonie), worden overgeschreven van de basisallocaties " dotaties " (, maar met uitzondering van detacheringen bedoeld in artikel 406 van de programmawet van 22 december 2003 en van de inzet van het interventiekorps) op het programma 17-90-1 naar de basisallocaties van de sectie 17 van de algemene uitgavenbegroting waarop de prefinanciering gebeurd is; <W 2006-12-27/30, art. 269, 5°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> 2° (indien de niet-vereffende facturen betrekking hebben op de inzet van het interventiekorps, van de prestaties bedoeld in § 5, 1°, of van de detacheringen bedoeld in artikel 406 van de programmawet van 22 december 2003, worden overgeschreven van de basisallocaties " dotaties " in het programma 17-90-1 naar de Rijksmiddelenbegroting met als respectieve bestemming de begrotingsfondsen 17-1, 17-2 of 17-3, om in het bijzonder het vastgesteld debetsaldo aan te zuiveren.) <W 2006-12-27/30, art. 269, 6°, 023; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Art. 115bis. <Ingevoegd bij W 2003-12-22/42, art. 409; Inwerkingtreding : 31-12-2003> De modaliteiten van de prestaties verleend door het lokale niveau aan het federale niveau van de geïntegreerde politie worden vastgelegd in samenwerkingsprotocols tussen beide partijen, waarin zal vermeld worden welke prestaties kosteloos geleverd worden en welke prestaties tegen betaling worden uitgevoerd. Deze protocols bepalen ook de eventuele betalingsmodaliteiten alsmede de te volgen regels in geval van niet-betaling door de federale politie van de bedragen die haar gefactureerd worden voor de prestaties bedoeld in het eerste lid. TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen. HOOFDSTUK I. - Het personeel. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 116. De politiediensten bestaan uit twee kaders : een operationeel kader en een administratief en logistiek kader. Art. 117. <W 2006-04-01/38, art. 9, 020; Inwerkingtreding : 10-05-2006> Het operationeel kader bestaat uit politieambtenaren die in drie kaders zijn verdeeld : het basiskader, het middenkader en het officierskader. Het operationeel kader kan bovendien een kader van agenten van politie omvatten. De politieambtenaren zijn bevoegd voor de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie. De agenten van politie zijn geen politieambtenaren, maar hebben een beperkte politiebevoegdheid. De agenten van politie worden in vast verband benoemd. Zij worden evenwel in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst wanneer hun betrekking gefinancierd wordt door tijdelijke of wisselende middelen, of wanneer de te vervullen opdrachten van tijdelijke, bijzondere of deeltijdse aard zijn. Art. 118. (Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 138, § 1, 3° en 4°, bestaat het administratief en logistiek kader uit personeelsleden zonder bevoegdheid inzake bestuurlijke en gerechtelijke politie.) <W 2006-12-28/47, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 22-01-2007> De leden van het administratief en logistiek kader zijn of wel statutaire personeelsleden, in dienst genomen en benoemd of ingezet in het genoemde korps overeenkomstig de mobiliteitsregeling, (ofwel overgeplaatste militairen in de zin van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever,) ofwel personeelsleden in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst. Het personeel belast met de bijkomende, specifieke opdrachten wordt in dienst genomen onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst. <KB 2005-07-16/32, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 16-07-2005> Indien niet alle ambten van het administratief en logistiek kader door personeel zonder politiebevoegdheid zijn ingenomen, kunnen ook leden van het operationeel kader, op hun vraag ofwel naar dit korps overgaan, ofwel er tijdelijk dergelijke ambten bekleden. (De personeelsleden van het administratief en logistiek kader, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 138, § 1, 3° en 4°, mogen geen politieopdrachten uitvoeren.) <W 2006-12-28/47, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 22-01-2007> Art. 119. Het statuut is voor alle politieambtenaren gelijk, ongeacht of zij tot de federale politie of tot de lokale politie behoren. Hetzelfde geldt, per categorie, voor de hulpagenten van politie en het personeel van het administratief en logistiek kader. Art. 120. Binnen elk politiekorps wordt het gezag van een personeelslid over een ander personeelslid uitgeoefend, in volgende orde : 1° op grond van het ambt dat wordt waargenomen in de organisatie, dat wil zeggen op alle personeelsleden die aangesteld zijn in een dienst die in het organigram onder zijn verantwoordelijkheid valt; 2° op grond van de hem toevertrouwde taak, dat wil zeggen op alle personeelsleden aan wie opdracht is gegeven om mee te werken aan de uitvoering van die taak, maar binnen de perken ervan; 3° op basis van de graad of, bij gelijke graad, van anciënniteit, dat wil zeggen op alle personeelsleden van het politiekorps, maar zonder zich te mengen in de uitoefening van het ambt of in de uitvoering van de taak. Het gezag wordt steeds uitgeoefend binnen de perken van de machtiging die wordt ontleend aan de wettelijke, contractuele of reglementaire bepalingen of aan permanente of tijdelijke dienstbevelen. (Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 46 worden, in geval van afwezigheid of verhindering, alle bevoegdheden die bij de wetten en reglementen zijn toegekend, in het bijzonder inzake selectie en evaluatie, uitgeoefend door de plaatsvervangers die de titularis in volgorde van voorkeur voorafgaandelijk schriftelijk aanwijst. Wat de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs betreft, kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie gezamenlijk beslissen om zich de mogelijkheden bedoeld in het derde lid geheel of gedeeltelijk voor te behouden.) <W 2006-06-20/34, art. 26; Inwerkingtreding : 26-07-2006> Art. 121. <W 2002-04-26/30, art. 111, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De nadere regels van het statuut van de personeelsleden van het operationeel en het administratief en logistiek kader worden door de Koning bepaald. Art. 121bis. <Ingevoegd bij W 2002-04-26/30, art. 112; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De Koning bepaalt : 1° de voorwaarden en de nadere regels van de overgang van leden van het operationeel kader naar het administratief en logistiek kader; 2° de nadere regels betreffende het inzetten volgens de mobiliteitsregeling van de statutaire leden van het administratief en logistiek kader. Art. 122. Welke ook de overheid is die de benoemingsbevoegdheid heeft, het statuut van de leden van de politiediensten waarborgt de objectiviteit bij onder meer de aanwerving, de selectie, de aanwijzing in de betrekkingen, de ambtsontheffing, de benoeming, de bevorderingen, de schaalovergang, alsook bij de evaluatie. Onverminderd de specifieke beperkingen op de uitoefening van de rechten en vrijheden, uitdrukkelijk bij wet bepaald wegens hun ambt, genieten de politieambtenaren, de hulpagenten van politie en de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, dezelfde rechten en vrijheden als de andere burgers. Afdeling 2. - Algemene principes van het statuut van de politieambtenaren. Art. 123. De politieambtenaren dragen te allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde. Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven. Art. 124. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt de uitoefening van het gezag. Art. 125. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun beschikbaarheid. De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermeden dat het vertrouwen van het publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. Wanneer zij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, worden zij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit hun ambt ontslagen. Dit ontslag heeft voor de betrokken personen het verlies van hun hoedanigheid van personeelslid van hun politiekorps tot gevolg. Die maatregel wordt genomen door de Koning indien Hij het betrokken personeelslid in zijn laatste graad heeft benoemd en, naargelang van het geval, door de minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, in de andere gevallen. Art. 126. § 1. De uitoefening van het stakingsrecht door de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie is afhankelijk van de volgende voorwaarden : 1° de voorafgaande aanzegging van de staking door een erkende syndicale organisatie; 2° de voorafgaande bespreking met de bevoegde overheid van de kwestie naar aanleiding waarvan de staking wordt overwogen in het onderhandelingscomité voor de politiediensten. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de in het eerste lid bedoelde aanzegging en bespreking en de termijn waarbinnen zij moeten plaatsvinden. § 2. De minister van Binnenlandse Zaken kan, na overleg met de minister van Justitie, de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie die gebruik maken of wensen te maken van het stakingsrecht, bevelen het werk voort te zetten of te hervatten gedurende de periode en voor die opdrachten waarvoor hun inzet noodzakelijk is en die hij aanwijst. Indien de politieambtenaren deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, gaat het bevel gezamenlijk uit van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De burgemeester of het politiecollege heeft dezelfde bevoegdheid ten aanzien van de politieambtenaren van de lokale politie. De overheid die het in vorige lid bedoelde bevel wenst te geven is ertoe gehouden de opdrachten waarvoor zij dat bevel noodzakelijk acht, vooraf mee te delen aan de representatieve syndicale organisaties van het personeel voor de politiediensten alsook, in voorkomend geval, aan de erkende syndicale organisatie die de stakingsaanzegging heeft ingediend. § 3. De politieambtenaar die geen gevolg geeft aan het bevel van een in § 2 bedoelde overheid wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en met een geldboete van 100 tot 10 000 frank of met een van die straffen alleen. (Met de straffen in het vorige lid bepaald wordt gestraft, hij die, wetens en willens, een personeelslid van de geïntegreerde politie tot wie het bevel van een in § 2 bedoelde overheid was gericht, er op enige wijze toe brengt geen gevolg te geven aan dat bevel.) <W 1999-05-13/35, art. 67, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op (de inhet eerste en tweede lid bedoelde misdrijven). <W 1999-05-13/35, art. 67, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Art. 127. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding vermeden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten. De politieambtenaren moeten er zich in alle omstandigheden van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. Zij mogen geen kandidaat zijn voor een politiek mandaat. Art. 128. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun mobiliteit in de federale politie, tussen de verschillende lokale politiediensten, en tussen de laatstgenoemde en de federale politie. Zo worden gelijkwaardige betrekkingen eveneens toegankelijk voor ambtenaren van de federale politie en van de lokale politie die aan de statutaire voorwaarden voldoen. In dat kader regelt de Koning de voorwaarden waaronder de gemeente, de meergemeentezone, de lokale overheid of de Staat die de kosten voor de indienstneming en de opleiding van een politieambtenaar heeft gedragen, die kosten kan verhalen op de lokale overheid of op de Staat, indien de betrokken ambtenaar, binnen vijf jaar na zijn benoeming, in dienst wordt genomen in een andere lokale politiedienst of in de federale politie. Art. 129. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt de gelijke kansen van mannen en vrouwen in de federale en in de lokale politie. Onder voorbehoud van de bepalingen betreffende de bescherming van het moederschap die van toepassing zijn op het personeel van het openbaar ambt, zijn de vrouwelijke personeelsleden aan dezelfde arbeidsvoorwaarden onderworpen als het mannelijk personeel dat tot hetzelfde korps behoort. Art. 130. Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun integriteit. De politieambtenaren moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten. Het is de personeelsleden verboden, zelfs buiten hun functies, maar uit dien hoofde, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen, giften, beloningen of welke voordelen ook te vragen, te eisen of aan te nemen. Art. 131. Het statuut van de politieambtenaren, waarborgt het beroepsgeheim en het bevat een discretieplicht. Het is de politieambtenaren verboden, zelfs na het beëindigen van hun ambt, die gegevens bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven. Dit verbod geldt bovendien voor gegevens die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen. Art. 132. Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen. Art. 133. De artikelen 123, tweede lid, 124 tot 132 zijn van toepassing op de hulpagenten van de politie. De artikelen 125, 126, §§ 1 en 2, 127, eerste en tweede lid, 128 tot 132 zijn van toepassing op de leden van het administratief en logistiek kader. Afdeling 3. - Beroepsonverenigbaarheden. Art. 134. Onverminderd de in bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden en tenzij de betrokkene zich in non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, is de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader onverenigbaar met de uitoefening van : 1° een ander beroep; 2° een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat; 3° een opdracht of een dienst, zelfs als die onbezoldigd is, in particuliere ondernemingen met winstoogmerk; 4° elke andere opdracht of dienst waarvan de minister van Binnenlandse Zaken de onverenigbaarheid heeft vastgesteld. De personeelsleden mogen noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakwaarnemer optreden, deelnemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen. nijverheids- of handelsinstellingen. Art. 135. Individuele afwijkingen van de verbodsbepalingen in artikel 134 kunnen worden toegestaan, naargelang van het geval, door de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege, binnen het raam van de richtlijnen gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken voor bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden die niet het belang van de dienst schaden, noch afbreuk doen aan de waardigheid van de status van personeelslid. De toestemming moet vooraf worden verkregen en kan afhankelijk worden gesteld van welbepaalde voorwaarden. Zij kan steeds worden ingetrokken. Art. 136. § 1. De personeelsleden van het administratief en logistiek kader mogen, noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon, enige bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of die aan de waardigheid van het ambt afbreuk doet. Het personeelslid van het administratief en logistiek kader meldt voorafgaandelijk en schriftelijk elke bezigheid die het beoogt uit te oefenen aan, naar gelang het geval, de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege. § 2. De personeelsleden van het administratief en logistiek kader die personeelslid zijn van of een toelage of wedde ontvangen van de meergemeentezones, kunnen geen deel uitmaken van de politieraad of het politiecollege, noch van de gemeenteraad van één van de gemeenten van de meergemeentezone. Afdeling 4. - Diverse bepalingen. Art. 137. De politieambtenaren leggen de hierna volgende eed af : "ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk". De Koning bepaalt de instantie in de handen van wie de eed wordt afgelegd. Art. 138. <W 2006-12-28/47, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 22-01-2007> § 1. Zijn bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings : 1° de politieambtenaren benoemd in het officierskader of in het middenkader; 2° de politieambtenaren die de door de Koning bepaalde ambten uitoefenen en voldoen aan de door Hem bepaalde voorwaarden; 3° om opdrachten van technische en wetenschappelijke politie uit te voeren, de leden van het administratief en logistiek kader die bekleed zijn met minstens een graad van het niveau B en die aangewezen zijn door de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie om deze opdrachten uit te voeren; 4° om de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering uit te voeren, de leden van het administratief en logistiek kader die omwille van hun bijzondere auditieve competentie ingevolge hun blindheid of slechtziendheid voor dat kader worden aangeworven om deze opdracht uit te voeren. § 2. Om hun ambt te kunnen uitoefenen, leggen de in § 1, 3° en 4°, bedoelde personeelsleden, in handen van de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie, de eed af in de volgende bewoordingen : " Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. " Zij zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het geheel van het grondgebied van het Rijk. De onderzoeken en de vaststellingen die zij uitvoeren maken het voorwerp uit van processen-verbaal. " Art. 139. De wet regelt de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van de politieambtenaren en de hulpagenten van politie alsook die van het personeel van het administratief en logistiek kader. De luchtregeling voor de politieambtenaren, voor de hulpagenten van politie en voor het personeel van het administratief en logistiek kader wordt bij wet bepaald. De beroepen die deze personeelsleden kunnen instellen tegen een ordemaatregel of tegen een tuchtstraf die door de burgemeester, de gemeenteraad, het politiecollege en de politieraad werd getroffen, worden bij wet geregeld. Art. 140. Elke evaluatie of schriftelijk bericht betreffende de wijze waarop een politieambtenaar zijn opdrachten vervult, wordt hem bekendgemaakt vooraleer het, met zijn eventuele bemerkingen, wordt toegevoegd aan zijn dossier waarvan de stukken worden genummerd. Art. 140bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 21; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De personeelsleden van de politiediensten kunnen, op vrijwillige basis, voor de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde langdurige opdrachten in het buitenland worden ingezet. Die opdrachten kunnen bestaan uit het verlenen van humanitaire hulp of het verstrekken van opleidingen. In geval van hoogdringendheid kunnen de personeelsleden van de politiediensten, op vrijwillige basis, voor de in het eerste lid bedoelde opdrachten worden ingezet op de enkele voorwaarde dat de Ministerraad daartoe beslist. Art. 140ter. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 22; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven (CDVU) is belast met de berekening van de vaste uitgaven die betrekking hebben op de personeelsleden van de federale politie en die met betrekking tot de personeelsleden van de lokale politie van de gemeente of van de meergemeentezone. Onder vaste uitgaven wordt verstaan : 1° de geldelijke verplichtingen van de federale politie en van de politiezones die ontstaan uit hoofde van hun hoedanigheid van werkgever; 2° de pensioenen, renten en pensioencomplementen. Deze opdracht omvat : 1° de berekening van de wedden, van de aanverwante rechten en van de pensioenen; 2° het vervullen van de sociale en fiscale aangifteverplichtingen; 3° het berekenen van de wettelijke en reglementaire inhoudingen en bijdragen; 4° de betaling van de pensioenen, renten en pensioencomplementen; 5° voor wat de federale politie betreft, de betaling van de wedden, van de aanverwante rechten en van de sociale en fiscale inhoudingen aan de diverse rechthebbenden, overeenkomstig de algemene bepalingen die gelden voor de federale overheidsdiensten; 6° voor wat de lokale politie betreft, het uitvoeren van de betaling voor rekening van de zone of het aanleveren van de vereiste betalingselementen aan (het SSGPI bedoeld in artikel 149quater); <W 2004-12-27/30, art. 478, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2005> 7° de afhandeling van de geschillendossiers; 8° het opmaken van de boekhoudkundige stukken, van de betalingsstukken en van de nodige verantwoordingsstukken. De CDVU voert, voor wat de wedden en de aanverwante rechten betreft, de beslissingen uit die de personeelsdienst van de federale politie of deze van de lokale politie nemen, elk voor wat hun personeel betreft. Deze beslissingen worden hem overgemaakt door (het SSGPI). <W 2004-12-27/30, art. 478, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wat de pensioenen, renten en pensioencomplementen betreft, voert de CDVU de beslissingen genomen door de Administratie der Pensioenen uit. Art. 140quater. (opgeheven) <W 2004-12-27/30, art. 479, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2005> HOOFDSTUK II. - Organisatie en uitrusting. Art. 141. De Koning bepaalt het uniform, de kentekens, de legitimatiekaarten en andere middelen van identificatie. Hij bepaalt eveneens de normen inzake de uitrusting en de bewapening van de politiediensten, teneinde de compatibiliteit en de samenwerking tussen de politiediensten en, indien nodig, de operationaliteit van een gezamenlijk optreden te waarborgen. Art. 142. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de organisatie en werkingsnormen van de politiediensten teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren. Art. 142bis. <Ingevoegd bij W 2001-05-31/39, art. 45; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De opleiding van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten wordt verstrekt door : 1° de door de Federale Overheid ingerichte politiescholen wat betreft : a) de basisopleiding van het officierskader, de opleiding tot het directiebrevet en bepaalde voortgezette opleidingen van het officierskader; b) de basisopleiding van het basiskader en, indien nodig, van het middenkader; c) de functionele gerechtelijke opleidingen en bepaalde voortgezette gerechtelijke opleidingen; d) bepaalde functionele opleidingen van het basiskader, middenkader en officierskader; e) de andere door de Koning bepaalde opleidingen; 2° de, op grond van de door de Koning vastgestelde criteria, erkende politiescholen, wat betreft : a) de basisopleiding van het kader van hulpagenten; b) de basisopleiding van het basiskader; c) de basisopleiding van het middenkader; d) bepaalde functionele opleidingen van het basiskader, middenkader en officierskader; e) de voortgezette opleiding van het kader van hulpagenten, basiskader, middenkader en, indien nodig, van het officierskader. Art. 142ter. <Ingevoegd bij W 2001-05-31/39, art. 46; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Per provincie of voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan ten hoogste één politieschool worden erkend. Om erkend te worden moet een politieschool aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zich ertoe verbinden één of meer opleidingscycli te verstrekken waarvoor de erkenning geldt; 2° beschikken over voldoende infrastructuur om alle of een deel van die opleidingscycli te verstrekken; 3° beschikken over de medewerking van onderwijzend personeel met voldoende professionele kennis en ervaring; 4° een schoolreglement vaststellen met naleving van het algemeen studiereglement vastgesteld door de minister van Binnenlandse Zaken; 5° zich onderwerpen aan het toezicht van de minister van Binnenlandse Zaken of de door hem aangewezen dienst van de federale politie; 6° bij haar beheer vertegenwoordigers betrekken van de lokale overheden van de provincie of van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. De Koning is gemachtigd om (, in voorkomend geval, op contractuele basis,) de werking van de in artikel 142bis, 2°, bedoelde erkende politiescholen te subsidiëren volgens de door Hem bepaalde wijze. <W 2002-04-26/30, art. 113, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Art. 142quater. <Ingevoegd bij W 2001-05-31/39, art. 47; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De door de politiescholen verstrekte opleidingen hebben betrekking op : 1° de wettelijke en reglementaire bepalingen; 2° het aanwenden van politionele technieken; 3° het toepassen van politionele tactische principes en uitvoeringsregels; 4° het zich eigen maken van adequate gedragswetenschappelijke en relationele eigenschappen. Art. 142quinquies. <Ingevoegd bij W 2001-05-31/39, art. 48; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Onverminderd het derde lid omvat de basisopleiding van het basiskader, het middenkader en het officierskader theoretische en praktische opleidingsactiviteiten met een duurtijd van ten minste 9 maanden. De basisopleiding van het kader van hulpagenten omvat theoretische en praktische opleidingsactiviteiten met een duurtijd van ten minste 2 maanden. De Koning verleent, in voorkomend geval, bepaalde vrijstellingen aan de personeelsleden die deelnemen aan de basisopleiding in het raam van een bevordering door overgang naar een hoger kader. Art. 142sexies. <Ingevoegd bij W 2001-05-31/39, art. 49; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De basisopleiding wordt (, behoudens een vervroegde al dan niet vrijwillige beëindiging,) afgesloten met een eindexamen. De aspiranten die slagen voor dit eindexamen en geschikt worden bevonden door de jury behalen een diploma, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de Minister van Binnenlandse Zaken (of de door hem aangewezen overheid.) <W 2002-04-26/30, art. 114, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> <W 2005-07-03/53, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-04-2003> Het diploma voor de basisopleiding van het basiskader is evenwaardig met de diploma's welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2 bij de federale rijksbesturen. Het diploma voor de basisopleiding van het middenkader is evenwaardig met de diploma's welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2+ bij de federale rijksbesturen. Het diploma voor de basisopleiding van het officierskader is evenwaardig met de diploma's welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de federale rijksbesturen. De cursisten die met goed gevolg een cyclus van voortgezette opleiding hebben gevolgd behalen een brevet, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de Minister van Binnenlandse Zaken. De cursisten die slagen voor een cyclus van functionele opleiding behalen een brevet, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de minister van Binnenlandse Zaken. TITEL V. - De algemene inspectie. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 143. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 144. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 145. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 146. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 147. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 148. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 149. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 149bis. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Art. 149ter. (opgeheven) <W 2007-05-15/43, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 15-06-2007> Titel Vbis. - Het Secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Art. 149quater. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Er wordt een " Secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus " opgericht, afgekort " SSGPI ". Het SSGPI staat onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken die de algemene principes inzake zijn organisatie, zijn werking en zijn algemeen beheer vastlegt. Het dagelijks beheer van het SSGPI wordt toegewezen aan een directeur-diensthoofd die rechtstreeks verantwoording aflegt aan de minister van Binnenlandse Zaken. Art. 149quinquies. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> De werking van het SSGPI, wordt opgevolgd door een gemengd " Toezichthoudend en raadgevend comité ", hierna " het Comité SSGPI " genoemd, waarin vertegenwoordigers van zowel de federale als van de lokale politie - pro rata het aantal behandelde personeelsdossiers - als van de representatieve vakverenigingen van het personeel van de politiediensten zetelen. De vertegenwoordigers van de vakverenigingen zijn niet-stemgerechtigde leden. De vertegenwoordigers van de federale politie worden aangewezen door de minister van Binnenlandse Zaken op voordracht van de commissaris-generaal en na advies van de minister van Justitie. De vertegenwoordigers van de lokale politie - gelijk verdeeld over burgemeesters, korpschefs en bijzondere rekenplichtigen - worden aangewezen door de adviesraad van burgemeesters. Zij zijn allen afkomstig uit verschillende politiezones. De directeur-diensthoofd van het SSGPI is van rechtswege niet-stemgerechtigd lid van het Comité SSGPI. Voor de uitvoering van zijn opdracht heeft het Comité SSGPI inzagerecht in de door het SSGPI behandelde stukken. De leden zijn echter tot geheimhouding verplicht betreffende de geïndividualiseerde gegevens die hen aldus ter kennis zijn gebracht. De schending van dit geheim, wordt bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de samenstelling, de bevoegdheden, de werkingsregels en de duur van het mandaat van de leden van het Comité SSGPI. Art. 149sexies. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Het Comité SSGPI maakt zijn opmerkingen of adviezen over aan de minister van Binnenlandse Zaken. Jaarlijks bezorgt het Comité SSGPI hem een globaal verslag over zijn vaststellingen en de algemene werking van het SSGPI, waarvan kopie wordt bezorgd aan de minister van Justitie. Art. 149septies. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> De directeur-diensthoofd van het SSGPI behoort tot het administratief en logistiek kader. De personeelsleden van het SSGPI behoren tot het personeel van de federale politie of, met toepassing van artikel 96, tot de lokale politie. De Koning kan voor het ambt van directeur-diensthoofd van het SSGPI, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, specifieke statutaire regels bepalen. De minister van Binnenlandse Zaken stelt de personeelsformatie van het SSGPI vast. Art. 149octies. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> Om het de CDVU mogelijk te maken zijn opdracht te vervullen, delen de in artikel 140ter, vierde lid, bedoelde personeelsdiensten of de personen aan wie zij hiertoe delegatie verlenen, de nodige gegevens mee aan het SSGPI. Hiervoor heeft het SSGPI inzonderheid de volgende opdrachten : 1° instaan voor de correcte toepassing van het statuut op alle personeelsleden. Elke niet conforme toepassing wordt onverwijld gemeld aan de verantwoordelijke personeelsdienst. De algemene directie personeel van de federale politie kan een gemotiveerd advies voorleggen aan de minister van Binnenlandse Zaken; 2° voor wat de lokale politie betreft, het meedelen van het resultaat van de berekeningen en de gegevens nodig om tijdig de wedden, de aanverwante rechten en de sociale en fiscale inhoudingen aan de rechthebbenden te kunnen betalen; 3° de verwerking van de terugvordering van onverschuldigde betalingen of de mededeling van de daartoe vereiste basisgegevens aan de werkgever; 4° het bijhouden van een kopie van het weddedossier betreffende elk verloond personeelslid; 5° een algemene informatieopdracht; 6° instaan voor de verdere verwerking van de door de personeelsdiensten of de personen aan wie zij hiertoe delegatie verlenen verstrekte gegevens. De aard, de vorm en de periodiciteit van de mee te delen gegevens worden door het SSGPI, in samenwerking met de CDVU, bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken kan het SSGPI machtigen gelijkaardige opdrachten te vervullen voor andere personen die uitbetalingen ontvangen ten laste van de begroting van hetzij de federale politie, hetzij een korps van lokale politie. Het SSGPI kan, in de diensten van de federale politie of in de korpsen van de lokale politie of zo nodig bij de gemeentebesturen die ze bewaren, alsook bij de algemene inspectie, alle documenten en stukken die nodig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht raadplegen en er kopie van maken. Het SSGPI kan de betrokken administraties in gebreke stellen. Ingeval van vaststelling van onregelmatigheden in de toepassing van het statuut licht het SSGPI onverwijld de bevoegde overheden hiervan in. In afwachting van een definitieve beslissing kan het SSGPI bewarende maatregelen nemen. Art. 149nonies. <Ingevoegd bij W 2004-12-27/30, art. 480, Inwerkingtreding : 01-01-2005> (NOTA van Justel : het zou "novies" in plaats van "nonies" moeten zijn.) De basisallocaties met betrekking tot het SSGPI worden gehergroepeerd in een afzonderlijke organisatieafdeling van de begroting van de " Federale politie en de geïntegreerde werking ". De werkingskosten van het Comité SSGPI vallen ten laste van het SSGPI, dat eveneens instaat voor het secretariaat van het Comité SSGPI. TITEL VI. - Wijzigingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Art. 150. In artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998 worden de woorden "de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie" vervangen door de woorden "de federale politie en de lokale politie". Art. 151. In artikel 4 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling : "Met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie zijn bekleed : - de provinciegouverneurs; - de arrondissementscommissarissen; - de burgemeesters; - de officieren van de federale politie en van de lokale politie.". Art. 152. Een opschrift met als titel "Afdeling 1. - Algemene bepalingen" wordt in hoofdstuk II vóór het artikel 5 van dezelfde wet ingevoegd. Art. 153. In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, tussen het woord "gerechtshof," en de woorden "van de procureurs", worden de woorden "van de federale procureur, van de onderzoeksrechters" ingevoegd; 2° in hetzelfde lid wordt het woord "gemeentelijke" door het woord "lokale" vervangen; 3° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : "Overeenkomstig artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en uitgaande van de principes van specialiteit en subsidiariteit, bepaalt de minister van Justitie bij richtlijn de opdrachten van gerechtelijke politie die prioritair worden vervuld, enerzijds, door de lokale politie, anderzijds, door de gerechtelijke diensten en andere diensten van de federale politie.". Art. 154. Na artikel 5 van dezelfde wet worden een afdeling 2 en de artikelen 5/1 tot 5/5 luidend als volgt, ingevoegd : "Afdeling 2. - Betrekkingen van de politiediensten met de overheden. Art. 5/1. De overheden van bestuurlijke politie en de politiediensten moeten elkaar de hen toegekomen inlichtingen betreffende de openbare orde mededelen, die tot preventieve of beteugelende maatregelen aanleiding kunnen geven. Art. 5/2. De politiediensten moeten bij bijzonder verslag de betrokken bestuurlijke overheden informeren over de buitengewone gebeurtenissen betreffende de openbare orde waarvan zij kennis hebben. Om de burgemeester in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, informeren de korpschef van de lokale politie, de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur van de federale politie hem onverwijld over de gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid in de gemeente kunnen verstoren. De korpschef van de lokale politie brengt bij hem verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente, over de vervulling van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de gedane en voorziene uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. De korpschef van de lokale politie informeert hem bovendien voorafgaandelijk over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen op het grondgebied van de gemeente en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. De bestuurlijke directeur-coördinator informeert voorafgaandelijk de burgemeester over alle initiatieven die hij wil ondernemen in het kader van zijn bevoegdheden op het grondgebied van de gemeente, en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij brengt hem bovendien verslag uit over het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, waarvan hij de coördinatie waarneemt en die betrekking hebben op het grondgebied van zijn gemeente. De directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst informeert voorafgaandelijk de bestuurlijke directeur-coördinator en de burgemeester over alle operaties die de gerechtelijke eenheid onderneemt op het grondgebied van de gemeente en die van aard zijn om de openbare rust te verstoren. Art. 5/3. Voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie worden geregelde dienstbetrekkingen onderhouden : 1° met de procureur des Konings, door de korpschef van de lokale politie en door de gerechtelijke directeur en in de gevallen bedoeld in artikel 104 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie; 2° met de procureurs-generaal, met het college van procureurs-generaal en met de federale procureur door de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie. Art. 5/4. Telkens zij er kennis van krijgen, brengen de politiediensten de territoriale militaire overheden, bij bijzonder verslag, op de hoogte van alles wat de veiligheid van de strijdkrachten kan schaden, van alle propaganda waarbij de militairen tot tuchteloosheid worden aangezet, alsook van alle voorvallen waarbij militairen betrokken zijn. Art. 5/5. In de gebieden in staat van beleg, wanneer de macht waarmede de burgerlijke overheden voor de handhaving van de orde en van de politie bekleed zijn, door de militaire overheid wordt uitgeoefend, kan deze, met het oog op het vervullen van die opdracht, de door de omstandigheden geboden vorderingen aan de politiedienaren richten.". Art. 155. In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "de onderrichtingen, vorderingen en bevelen" vervangen door de woorden "de bevelen, onderrichtingen, vorderingen en richtlijnen"; 2° het tweede en het derde lid worden opgeheven; 3° dit artikel, zo gewijzigd, wordt artikel 5/6 van dezelfde wet. Art. 156. Artikel 7 van dezelfde wet wordt artikel 6. Art. 157. Na artikel 6 van dezelfde wet wordt een afdeling 3 ingevoegd met als titel "Coördinatie en leiding van de operaties". Art. 158. Artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd als volgt, wordt artikel 7 : 1° de woorden "behoudens uitdrukkelijke overeenkomsten die met andere politiediensten worden aangegaan" worden vervangen door de woorden "behalve wanneer een politieambtenaar van een ander politiekorps wordt belast met de leiding op basis van een uitdrukkelijk akkoord of van een wetsbepaling"; 2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : "In afwijking van het eerste lid, is dat akkoord niet noodzakelijk, wanneer de gerechtelijke overheid, in uitvoering van de artikelen 28ter, § 4 of 56, § 3, van het Wetboek van Strafvordering, in een bepaald onderzoek verscheidene politiediensten heeft belast met opdrachten van gerechtelijke politie en de operationele leiding van dat onderzoek aan één onder hen heeft toegewezen.". Art. 159. De artikelen 7/1 tot 7/5 luidend als volgt, worden ingevoegd na artikel 7 van dezelfde wet : "Art. 7/1. Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan een politiezone, als volgt toevertrouwd : 1° in geval van gezamenlijk optreden op basis van een akkoord tussen verschillende lokale politiekorpsen, aan een korpschef van de lokale politie, die hiervoor wordt aangewezen door de betrokken burgemeester of burgemeesters; 2° in geval van gezamenlijk optreden van verschillende lokale politiekorpsen en van de federale politie, met inbegrip wanneer deze laatste tussenkomt na vordering, aan de bestuurlijke directeur-coördinator; 3° voor de uitvoering, door een lokale politie, van een vordering door de minister van Binnenlandse Zaken bedoeld bij artikel 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de bestuurlijke directeur-coördinator. De zonale veiligheidsraden kunnen de onder 1° bepaalde opdrachten organiseren bij middel van protocollen. In de gevallen bedoeld in 2° en 3°, kan de operationele coördinatie en leiding worden toevertrouwd aan een daartoe aangeduide lokale korpschef indien de betrokken lokale en federale politieoverheden dit samen beslissen. Art. 7/2. Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering beperkt is tot het grondgebied van één politiezone, toevertrouwd aan de korpschef van de lokale politie. De operationele coördinatie en leiding worden evenwel toevertrouwd aan de bestuurlijke directeur-coördinator in de volgende gevallen : 1° wanneer hij gevolg geeft aan het verzoek van de korpschef van de lokale politie, om deze opdracht waar te nemen; 2° wanneer de federale politie ambtshalve of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken optreedt bij de uitvoering van bovenlokale opdrachten, en deze laatste, gelet op de specifieke omstandigheden van deze tussenkomst, beslist deze functie toe te vertrouwen aan de bestuurlijke directeur-coördinator. Deze beslissing wordt, behoudens in geval van hoogdringendheid, genomen is overleg met de burgemeester; 3° wanneer de federale politie of een lokale politie tussenkomt in het kader van een vordering, respectievelijk bedoeld bij de artikelen 43 en 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist deze functies aan de bestuurlijke directeur-coördinator toe te vertrouwen. Art. 7/3. De operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de zin van artikel 61 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en die het gezamenlijk optreden van één of verschillende lokale politiekorpsen en de federale politie vereist, worden uitgeoefend door het politieniveau dat in de richtlijn is aangewezen. Behoudens andersluidende beslissing van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie worden de operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de omstandigheid bedoeld bij artikel 63 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenwel uitgeoefend door de bestuurlijke directeur-coördinator. Art. 7/4. Met het oog op de uitvoering van de opdrachten bedoeld bij de artikelen 7/1, 7/2 en 7/3, ontvangt de bestuurlijke directeur-coördinator op zijn vraag elke nuttige inlichting vanwege de oversten van de betrokken lokale politiekorpsen. Art. 7/5. De commandant van elk detachement van de krijgsmacht die samen met de politie moet optreden, is verplicht de instructies in acht te nemen, welke aan hem worden gericht door de politieambtenaar die de leiding heeft van de operaties. Hoewel de politieambtenaar de leiding van de operaties heeft, behoudt de commandant van het detachement van de krijgsmacht het bevel over zijn detachement. Het gebruik van wapens door de personen die niet tot de politie behoren, wordt in dat geval geregeld overeenkomstig artikel 38, 1° en 3°.". Art. 160. Een afdeling 4, bevattende de artikelen 8 tot 8/8 en luidend als volgt, wordt ingevoegd in hoofdstuk 11 van dezelfde wet : "Afdeling 4. - De vorderingen. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 8. Iedere vordering moet schriftelijk geschieden en moet de wetsbepaling vermelden krachtens welke zij wordt verricht, alsmede het voorwerp; zij moet gedateerd zijn en de naam en hoedanigheid, alsook de handtekening van de vorderende overheid dragen. In spoedeisende gevallen kunnen de politiediensten met om het even welk communicatiemiddel worden gevorderd. Die vordering moet zo snel mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald bij het vorige lid. Art. 8/1. Ter uitvoering van de aan de politiediensten gerichte vorderingen verduidelijken de bevoegde overheden, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het onderwerp van de vordering en kunnen zij aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden aangewend. Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan die aanbevelingen en precieze aanwijzingen omdat hun uitvoering de vervulling van andere politieopdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de vorderende overheid hiervan zo spoedig mogelijk ingelicht. Daarbij worden de bijzondere omstandigheden die het opvolgen van die aanbevelingen en precieze aanwijzingen onmogelijk maken, vermeld. Deze bepaling ontheft de politiediensten niet van de verplichting om de vorderingen uit te voeren. Art. 8/2. De gevorderde politie mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Indien de vordering haar evenwel als kennelijk onwettelijk voorkomt, mag zij ze niet uitvoeren. In dat geval licht zij schriftelijk de vorderende overheid daarvan onverwijld in met opgave van de redenen. Art. 8/3. De werking van de vordering houdt op wanneer ze is uitgevoerd of wanneer de vorderende overheid de opheffing van de vordering, schriftelijk of mondeling, aan de chef van het gevorderde politiekorps of aan de chef van de met de uitvoering van de vordering belaste eenheid, ter kennis brengt. Onderafdeling 2. - Vorderingen van bestuurlijke politie. Art. 8/4. De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van bestuurlijke politie, worden uitgevoerd onder de leiding van een politieambtenaar die bekleed is met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. De gevorderde politiedienst bepaalt de organisatie van de dienst alsook de aard en, onverminderd artikel 64, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aanwijzingen van de vorderende overheid. Indien de coördinatie en de operationele leiding in uitvoering van de artikelen 7/1 of 7/2 is toevertrouwd aan een korpschef van de lokale politie, dan zal de verantwoordelijke van de gevorderde politiedienst hieromtrent met de betrokken korpschef vooraf overleg plegen. Zonder zich in te laten met het verloop van de operaties van bestuurlijke politie, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende overheden. Gedurende de uitvoering van een vordering van bestuurlijke politie, moet de in het eerste lid bedoelde politieambtenaar contact blijven houden met de vorderende bestuurlijke overheid en die, behoudens in geval van overmacht, op de hoogte brengen van de middelen die hij voornemens is aan te wenden. De vorderende overheid, van haar kant, moet die politieambtenaar alle inlichtingen verstrekken, die nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht. Art. 8/5. In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, kan de minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van die overheid. Onderafdeling 3. - Vorderingen van gerechtelijke politie. Art. 8/6. Op de aan de politiediensten gerichte vorderingen van gerechtelijke politie zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, inzonderheid de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van toepassing. De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van gerechtelijke politie worden uitgevoerd onder de leiding van politieambtenaren die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben. De in het vorige lid vermelde politieambtenaren bepalen de organisatie van de dienst en de aard en de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aan de precieze aanwijzingen van de vorderende overheid. Zonder zich in te laten met het verloop van gerechtelijke onderzoeken, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende gerechtelijke overheden. De in artikel 8, tweede lid, bedoelde bevestiging van een vordering van gerechtelijke politie kan blijken uit het proces-verbaal, opgesteld door de politieambtenaar die deze vordering heeft uitgevoerd. Art. 8/7. Indien de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie niet over het vereiste personeel en de nodige middelen beschikt om gelijktijdig de vorderingen van verschillende gerechtelijke overheden uit te voeren, beslist de federale procureur, of bij delegatie de bij artikel 47quater van het Wetboek van Strafvordering bedoelde, federale magistraat, na overleg met de directeur-generaal van deze algemene directie, aan welke vordering bij voorrang gevolg wordt gegeven. Art. 8/8. In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, en ter uitvoering, door de federale politie, van een vordering, kan de minister van Justitie, op initiatief van de federale procureur, of bij delegatie, van de in het artikel 8/7 bedoelde, federale magistraat, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van de vorderende gerechtelijke overheid.". Art. 161. In dezelfde wet wordt de indeling in een hoofdstuk III met als opschrift "Coördinatie van het politiebeleid en van het beheer van de politiediensten" vervangen door een indeling in een afdeling 5 met als opschrift "Maatregelen tot overleg en coördinatie". Art. 162. Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : "Art. 9. In elke provincie, alsook in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, wordt een overleg georganiseerd tussen de procureur-generaal bij het hof van beroep, de gouverneur, de bestuurlijke directeurs-coördinator of hun gemachtigden, de gerechtelijke directeurs of hun gemachtigden en vertegenwoordigers van de lokale politiediensten. Dit overleg heeft tot doel de zonale veiligheidsraden te stimuleren. De op het vlak van het provinciaal overleg uitgebrachte adviezen worden ter kennis gebracht van de zonale veiligheidsraden en van de federale overheden. Deskundigen kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen. Per gerechtelijk arrondissement wordt een rechercheoverleg georganiseerd tussen de bestuurlijke directeur-coördinator of zijn gemachtigde, de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst of zijn gemachtigde, vertegenwoordigers van de lokale politiediensten en de procureur des Konings, onder leiding van deze laatste. Dit overleg heeft hoofdzakelijk betrekking op de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie en op de organisatie van de uitwisseling van de informatie. De minister van Justitie bepaalt de nadere regels inzake dit rechercheoverleg.". Art. 163. In artikel 10 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de §§ 1 tot en met 3 worden opgeheven; 2° de indeling in paragrafen wordt opgeheven, zodat § 4, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht het enige lid wordt. Art. 164. In dezelfde wet wordt na artikel 10 een afdeling 6 ingevoegd, bestaande uit de artikelen 11 tot en met 13 en waarvan het opschrift luidt als volgt : "Afdeling 6. - De bevoegdheden inzake bestuurlijke politie". Art. 165. Artikel 11 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : "Art. 11. Onverminderd de bevoegdheden die hun zijn toegekend door of krachtens de wet, oefenen de minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur de bevoegdheden van de burgemeester of van de gemeentelijke instellingen in subsidiaire orde uit wanneer deze, al dan niet vrijwillig, hun verantwoordelijkheden niet nakomen, wanneer de verstoring van de openbare orde zich uitstrekt over het grondgebied van verscheidene gemeenten of, wanneer, ook al is de gebeurtenis of de situatie slechts in een enkele gemeente gelokaliseerd, het algemeen belang hun tussenkomst vereist. De bij het eerste lid bedoelde bevoegdheden betreffen maatregelen van bestuurlijke politie in de zin van artikel 3, 1°, behalve diegene die het voorwerp uitmaken van artikel 42 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.". Art. 166. In artikel 14 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "de rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "de politiediensten"; 2° in het tweede en derde lid van de Franse tekst wordt het woord "Elles" vervangen door het woord "Ils"; 3° het vierde lid wordt opgeheven. Art. 167. In artikel 15 van dezelfde wet, worden de woorden "de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie bij de parketten" vervangen door de woorden "de politiediensten". Art. 168. Een artikel 15bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd : "Art. 15bis. De federale en de lokale politie vervullen de in deze onderafdeling bepaalde opdrachten overeenkomstig artikel 3 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.". Art. 169. In artikel 16 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin van het eerste lid worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "De politiediensten"; 2° in de Franse tekst van de tweede zin van het eerste lid, wordt het woord "Elles" vervangen door het woord "Ils"; 3° het tweede lid wordt opgeheven. Art. 170. In artikel 16bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "de rijkswacht" vervangen door de woorden "de federale politie". Art. 171. In artikel 16ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "de rijkswacht" vervangen door de woorden "de federale politie". Art. 172. In artikel 16quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "de rijkswacht" vervangen door de woorden "de federale politie". Art. 173. In artikel 17, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "de rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "de politiediensten". Art. 174. In de artikelen 18, 19 en 20 van dezelfde wet, worden telkens de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden.. De rijkswacht en de gemeentepolitie vervangen door de woorden "De politiediensten"; 2° in het tweede lid worden de woorden "De politiediensten" vervangen door het woord "Zij". Art. 175. In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "De politiediensten"; 2° in het tweede lid worden de woorden "De politiediensten" vervangen door het woord "Zij". Art. 176. In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie vervangen door de woorden "De politiediensten"; 2° in het tweede lid worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door het woord "Zij"; 3° in het derde lid worden de woorden "de rijkswacht" en de woorden "of de korpschef van de betrokken gemeentepolitie" respectievelijk vervangen door de woorden "de federale politie" en de woorden "en de korpschef van de betrokken lokale politie". Art. 177. In artikel 23 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 3 worden de woorden "De gemeentepolitie" vervangen door de woorden "De lokale politie", en de paragraaf wordt aangevuld met de hierna volgende woorden : "onverminderd de toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus."; 2° in § 4, eerste lid, worden de woorden "De rijkswacht zorgt" vervangen door de woorden "De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen"; 3° in § 4, tweede lid, worden de woorden "zij zorgt" vervangen door "zij zorgen"; 4° in § 5 worden de woorden "De rijkswacht" vervangen door de woorden "De federale politie". Art. 178. In artikel 24 van dezelfde wet worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "De politiediensten.". Art. 179. In artikel 25 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "van de rijkswacht, van de gemeentepolitie en van de gerechtelijke politie bij de parketten" geschrapt; 2° in het tweede lid worden de woorden "aan de voornoemde ambtenaren" vervangen door het woord "hen"; 3° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidend als volgt : "Aan de politieambtenaren kunnen door de gerechtelijke overheden onderzoeken in tuchtrechtelijke aangelegenheden worden toevertrouwd."; 4° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "de rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "de politiediensten". Art. 180. In artikel 26 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "De rijkswacht en de gemeentepolitie" vervangen door de woorden "De politieambtenaren"; 2° in het tweede lid worden de woorden "De politieambtenaren" vervangen door het woord "Zij". Art. 181. In artikel 27 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht worden de woorden "van de rijkswacht en van de gemeentepolitie" geschrapt; 2° in het tweede lid worden de woorden "van de rijkswacht en de gemeentepolitie" geschrapt. Art. 182. In artikel 28, § 4, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, worden de woorden "de bestuurlijke overheid" vervangen door de woorden "de bevoegde overheid van bestuurlijke politie". Art. 183. In artikel 30 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "een politieambtenaar van bestuurlijke politie" vervangen door de woorden "een politieambtenaar"; 2° in het derde lid worden de woorden "bestuurlijke overheid" vervangen door de woorden "overheid van bestuurlijke politie". Art. 184. In artikel 31, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "ambtenaren van bestuurlijke politie" vervangen door de woorden "politieambtenaren". Art. 185. In artikel 33, tweede lid, van dezelfde wet, worden tussen de woorden "de burgemeester" en "of" de woorden "van de betrokken gemeente" ingevoegd. Art. 186. In artikel 34, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "de ambtenaren van bestuurlijke politie" vervangen door de woorden "de politieambtenaren". Art. 187. In artikel 35, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "De ambtenaren van bestuurlijke of gerechtelijke politie" vervangen door de woorden "De politieambtenaren". Art. 188. In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 3°, worden de woorden "van de gemeentepolitie en de rijkswacht" geschrapt; 2° in het eerste lid, 4°, worden de woorden "van de gemeentepolitie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten" geschrapt. Art. 189. Artikel 39 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 190. In artikel 40 van dezelfde wet worden de woorden "van de rijkswacht, de gemeentepolitie of de gerechtelijke politie bij de parketten" geschrapt. Art. 191. Een onderafdeling 3, bevattende de artikelen 44/1 tot 44/11, luidend als volgt, wordt ingevoegd in afdeling 1 van hoofdstuk IV van dezelfde wet : "Onderafdeling 3. - Het informatiebeheer. Art. 44/1. Bij het vervullen van de opdrachten die hun zijn toevertrouwd, kunnen de politiediensten gegevens van persoonlijke aard en inlichtingen inwinnen en verwerken, meer bepaald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een concreet belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie en voor de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 28bis, 28ter, 55 en 56 van het Wetboek van Strafvordering. Deze gegevens en inlichtingen kunnen enkel worden medegedeeld aan de overheden en de politiediensten, evenals aan de inlichting- en veiligheidsdiensten die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun opdrachten. Art. 44/2. Het inwinnen, de verwerking en het toezenden van de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, gebeurt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Deze inlichtingen en gegevens moeten in rechtstreeks verband staan met de bestaansreden van het gegevensbestand en beperkt blijven tot de vereisten die eruit voortvloeien. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels betreffende de duur van de bewaring van deze inlichtingen en gegevens. Binnen de politiediensten worden contactpersonen voor de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer aangewezen. Het beheer van de informaticatechnische structuren en middelen, nodig voor de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4, gebeurt door één van de algemene directies belast met de ondersteuning, bedoeld in artikel 93, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Art. 44/3. De inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, met betrekking tot de opdrachten van bestuurlijke politie worden ingewonnen en verwerkt onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken. Onverminderd de eigen bevoegdheden van de gerechtelijke overheden, worden de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, met betrekking tot de opdrachten van gerechtelijke politie ingewonnen en verwerkt onder het gezag van de minister van Justitie. Art. 44/4. De inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, worden, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, verwerkt in een algemene nationale gegevensbank, opgericht binnen één van de algemene directies belast met de ondersteuning, bedoeld in artikel 93, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. In deze gegevensbank zijn meerdere indexsystemen vervat. In het kader van deze indexsystemen, regelt de Koning ook het toezicht van een federale magistraat over de gerechtelijke informatie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden waaronder deze gegevensbank en elk van deze indexsystemen toegankelijk en bevraagbaar zijn door de bevoegde gerechtelijke overheden en de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten. De politiediensten zenden ambtshalve en rechtstreeks de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, aan deze algemene nationale gegevensbank toe. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van zijn bevoegdheden, op eensluidend advies van het controleorgaan bedoeld in artikel 44/7, de categorieën van inlichtingen en gegevens die geen toezending vereisen. Art. 44/5. Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie kennis krijgen van informatie die voor de uitoefening van de gerechtelijke politie van belang is, stellen zij daarvan onverwijld en zonder enige beperking de bevoegde gerechtelijke overheden in kennis. Wanneer de politiediensten in het raam van de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie kennis krijgen van informatie die voor de uitoefening van de bestuurlijke politie van belang is en aanleiding kan geven tot beslissingen van bestuurlijke politie, stellen zij daarvan, behoudens wanneer dit de uitoefening van de strafvordering in het gedrang kan brengen, maar onverminderd de voor de bescherming van personen noodzakelijke maatregelen, de bevoegde bestuurlijke overheden in kennis. Art. 44/6. Bij de uitvoering van hun opdrachten van gerechtelijke politie delen de politiediensten de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, aan de bevoegde gerechtelijke overheden mee, overeenkomstig wat is bepaald bij de artikelen 28bis, 28ter, 55 en 56 van het Wetboek van Strafvordering. Art. 44 /7. Er wordt een controleorgaan opgericht onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, belast met de controle van het beheer van de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4, eerste lid. Dit controleorgaan heeft een onbeperkt recht op toegang tot alle inlichtingen en gegevens bewaard in deze gegevensbank. Het is in het bijzonder belast met de controle van de naleving van de regels inzake de toegankelijkheid van de algemene nationale gegevensbank en de toezending aan deze gegevensbank van de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid. Onverminderd de bepalingen van artikel 44/4, kunnen de politiediensten in bijzondere omstandigheden gegevensbanken oprichten. De oprichting van elke gegevensbank door de politiediensten, dient voorafgaandelijk aan dit controleorgaan te worden gemeld. Alle inlichtingen en gegevens in deze gegevensbanken worden aan de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4, eerste lid, meegedeeld, behalve wanneer er een akkoord is van het controleorgaan met een verzoek tot niet-mededeling. Ten aanzien van deze gegevensbanken gelden onverkort alle bevoegdheden van het controleorgaan, zoals vermeld in dit artikel. Onder de voorwaarden bepaald dooi de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, zijn deze gegevensbanken toegankelijk en bevraagbaar door de bevoegde overheden, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, en de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten. Teneinde zijn controleopdrachten te kunnen vervullen, heeft dit orgaan een onbeperkt recht op toegang tot de lokalen waarin en gedurende de tijd dat de politieambtenaren er hun functies uitoefenen. Dit orgaan wordt voorgezeten door een federale magistraat. Deze magistraat wordt door de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen, na advies van het college van procureurs-generaal. Hij handelt voor de duur van zijn aanwijzing onafhankelijk ten aanzien van het federaal parket. Voor het overige is dit orgaan samengesteld uit een lid van de lokale politie, een lid van de federale politie en een deskundige, die door de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie worden aangewezen. Het controleorgaan treedt ambtshalve op al op verzoek van de gerechtelijke of bestuurlijke overheden, van de minister van Justitie of van de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig de voorwaarden bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. Wanneer de controle heeft plaatsgevonden binnen een lokale politie, informeert het controleorgaan daar de burgemeester of het politiecollege van en zendt hem zijn verslag. Wanneer de controle inlichtingen en gegevens betreft die verband houden met de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie, wordt het verslag dat dienaangaande door het controleorgaan wordt opgesteld, ook aan de procureur des Konings toegezonden. Dit controleorgaan wordt logistiek en administratief ondersteund door de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en kan, voor de uitvoering van haar opdracht, de bijstand vorderen van deze inspectie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels met betrekking tot het statuut van de leden van dit controleorgaan derwijze dat hun onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Art. 44/8. In afwijking van artikel 44/4 wordt de toezending bedoeld in artikel 44/4, derde lid, uitgesteld wanneer en tot zolang de bevoegde magistraat in akkoord met de federale magistraat belast met toezicht, bedoeld in artikel 44/4, eerste lid, van oordeel is dat deze toezending de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen. Art. 44/9. De politieambtenaren belast met het beheer van de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4, eerste lid, worden aangewezen na advies van het controleorgaan bedoeld in artikel 44/7. Geen enkele bevordering, benoeming of mutatie kan hen worden toegekend dan op initiatief of met het akkoord van de bevoegde minister, en na advies van dit controleorgaan. De nadere regels hiervan worden bepaald door de Koning. Ten aanzien van deze politieambtenaren kan een tuchtrechtelijke procedure voor feiten gepleegd tijdens de duur van de aanwijzing slechts worden ingesteld met instemming of op bevel van de bevoegde minister. Het advies van het controleorgaan wordt ingewonnen voor tuchtprocedures die niet door de minister worden bevolen. De algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4, eerste lid, wordt beheerd in een dienst die onder leiding staat van een diensthoofd en een adjunct-diensthoofd. Eén van beide behoort tot de federale politie en de andere behoort tot de lokale politie. De nadere regels van hun aanwijzing worden door de Koning bepaald. Art. 44/10. De uitvoeringsmaatregelen bedoeld in de artikelen 44/2, tweede lid, 44/4, tweede lid en 44/7, derde en negende lid, worden genomen na advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, uitgezonderd in geval van hoogdringendheid. Art. 44/11. Elke politieambtenaar die willens en wetens inlichtingen en gegevens die van belang zijn voor de uitoefening van de strafvordering of de handhaving van de openbare orde achterhoudt en nalaat door te zenden aan de algemene nationale gegevensbank overeenkomstig artikel 44/4, derde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd frank of met één van die straffen alleen. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek. hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op dit misdrijf.". Art. 192. In artikel 45 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "van de rijkswacht en van de gerechtelijke politie bij de parketten" vervangen door de woorden "van de federale politie en van de lokale politie"; 2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : "De politieambtenaren van de lokale politie vervullen hun opdrachten in principe op het grondgebied van de politiezone.". Art. 193. In artikel 47 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "van de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten" vervangen door de woorden "van de federale politie"; 2° in het tweede lid wordt het woord "brigadecommissarissen" vervangen door de woorden "verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet"; 3° het derde en vierde lid worden vervangen door de volgende bepalingen : "De gemeente of desgevallend, de meergemeentezone is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de politieambtenaren van de lokale politie in de functies waarin de Staat, de gemeente of de meergemeentezone hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. De gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone kan verhaal nemen op de Staat voor de schade veroorzaakt door een politieambtenaar van de lokale politie bij opdrachten die de Staat hem heeft toevertrouwd.". Art. 194. In artikel 48 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden ", aan de meergemeentezone" ingevoegd tussen de woorden "de gemeente" en "of aan derden"; 2° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid : "Een lasthebber, aangestelde of orgaan van de Staat, de gemeente of de meergemeentezone die het slachtoffer is van een arbeidsongeval veroorzaakt door één van de in artikel 47 bedoelde politieambtenaren, kan slechts een rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen die politieambtenaar instellen voor zover die het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt."; 3° in het tweede lid dat het derde lid wordt, worden de woorden "vorig lid" vervangen door de woorden "het eerste lid". Art. 195. In artikel 49 van dezelfde wet worden in § 1, eerste lid, en § 2, de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone". Art. 196. In artikel 50 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone"; 2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling : "Wat de daden van de personeelsleden van de federale politie betreft, wordt de Staat steeds vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken.". Art. 197. Artikel 51 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : "Wordt één van dergelijke fouten aangetoond, dan beslist de Staat, de gemeente of de meergemeentezone, na de politieambtenaar te hebben gehoord, of de proceskosten geheel dan wel gedeeltelijk door hem moeten worden gedragen.". Art. 198. In artikel 52 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "of de ex-politieambtenaar" ingevoegd tussen de woorden "politieambtenaar" en "die", en worden de woorden ", de meergemeentezone" ingevoegd tussen de woorden "de gemeente" en "of de Staat"; 2° § 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling : "Dit is eveneens het geval voor de politieambtenaar bedoeld in artikel 47 of de ex-politieambtenaar die, hetzij omwille van zijn hoedanigheid van politieambtenaar en in de uitoefening van zijn functies, slachtoffer is van een daad die minstens één dag afwezigheid om gezondheidsredenen heeft veroorzaakt, hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van politieambtenaar het slachtoffer is van een ingrijpende wraakactie."; 3° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid : "In geval van overlijden van de politieambtenaar of de ex-politieambtenaar, komt het in het eerste en tweede lid bedoelde recht op rechtshulp toe aan diens rechthebbenden in de volgorde vastgesteld in artikel 4 van de wet van 12 januari 1970 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van luchtvaartongeval in vredestijd."; 4° in § 2 worden de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone"; 5° in § 3, eerste lid, worden de woorden ", de meergemeentezone" ingevoegd tussen de woorden "de gemeente" en "of door de Staat"; 6° § 3, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "of, als slachtoffer, de strafbemiddeling bedoeld in artikel 216ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, van meet af aan en zonder gegronde redenen afwijst"; 7° in § 5, eerste lid, worden de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone"; 8° § 5, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling : "De rechtshulp aan de personeelsleden van de federale politie komt ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken."; 9° § 5, derde lid, wordt vervangen door de volgende bepaling : "De rechtshulp aan de leden van de lokale politie komt ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, behoudens het verhaal van de gemeente of de meergemeentezone op de Staat, indien de ambtenaar van de lokale politie in rechte wordt gedagvaard wegens daden gesteld bij het vervullen van een opdracht voor rekening van de Staat."; 10° in § 6 worden de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone". Art. 199. In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De vergoeding komt ten laste van de Staat voor de politieambtenaren van de federale politie, ten laste van de provincie voor de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet, en ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, voor de politieambtenaren van de lokale politie"; 2° in de §§ 4 en 5 worden de woorden "of de gemeente" vervangen door de woorden ", de gemeente of de meergemeentezone"; 3° § 6 wordt vervangen door de volgende bepaling : "Wat de personeelsleden van de federale politie betreft komt de vergoeding ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken.". Art. 200. In dezelfde wet wordt een artikel 53bis ingevoegd luidend als volgt : "Art. 53bis. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden de hulpagenten van politie gelijkgesteld met politieambtenaren.". Art. 201. In dezelfde wet wordt een artikel 53ter ingevoegd luidend als volgt : "Art. 53ter. De wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt "wet op het politieambt" genoemd.". TITEL VII. - Overige wijzigings- en opheffingsbepalingen. HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan de nieuwe gemeentewet. Art. 202. In artikel 133bis van de nieuwe gemeentewet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 3 april 1997, worden de woorden "artikel 133, tweede en derde lid, artikel 171bis, eerste en derde lid, artikel 172, § 1, en artikel 175" vervangen door de woorden "artikel 133, tweede en derde lid, en de artikelen 42, 43 en 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus."; 2° Dit lid wordt aangevuld met de volgende zin : "In de ééngemeentezone wordt dit recht uitgebreid tot de bevoegdheden die de burgemeester zon verleend krachtens artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus."; 3° het tweede lid, toegevoegd bij de wet van 3 april 1997, wordt opgeheven. Art. 203. In artikel 143, tweede lid van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 16 juli 1993, worden de woorden "van de gemeentelijke politiekorpsen en" en de woorden "de bepalingen van titel IV van de gemeentepolitie en" geschrapt. Art. 204. In artikel 144, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 16 juli 1993, worden de woorden "krachtens artikel 189 van deze wet en" geschrapt. Art. 205. Artikel 156 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : "Voor de leden van de politie die, overeenkomstig artikel 238 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met verlof voorafgaand aan de pensionering zijn gegaan, wordt de verhoging van het pensioen waarin het derde lid voorziet, slechts toegestaan voor het gedeelte van het pensioen dat overeenstemt met de periode die voorafgaat aan het verlof voorafgaand aan de pensionering.". Art. 206. Artikel 158, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende woorden : "behalve voor de personeelsleden bedoeld in artikel 238 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, waarvoor die maximumleeftijd wordt vastgesteld op 4 jaar na de leeftijd waarop hun het verlof voorafgaand aan de pensionering is toegekend, zonder dat ze evenwel ouder mogen zijn dan 60 jaar.". Art. 207. Titel IV van dezelfde wet, die de artikelen 170 tot 230 bevat, wordt opgehe en. Art. 208. In artikel 255 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 5°, worden de woorden ", de leden van het gemeentelijke politiekorps" geschrapt; 2° het artikel wordt aangevuld met een 18°, luidend als volgt : "18° de kosten die ten laste worden gelegd van de gemeente door of krachtens de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met inbegrip van, in de meergemeentezones, de dotatie van de gemeente aan de politiezone.". Art. 209. In de artikelen 264, eerste en tweede lid, 265 en 266 van dezelfde wet, vervangen door het koninklijk besluit van 30 mei 1989, worden de woorden ", de politieraad of het politiecollege" na de woorden ", de gemeenteoverheid" ingevoegd. Art. 210. Artikel 270 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : "In de meergemeentezones, oefent het politiecollege ten aanzien van de politiezone de bevoegdheden uit die krachtens het eerste lid aan het college van burgemeester en schepenen zijn toegekend. De in het tweede lid bepaalde machtiging wordt door de politieraad gegeven.". HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 7 april 1919 tot instelling van rechterlijke officieren en agenten bij de parketten. Art. 211. In de wet van 7 april 1919 tot instelling van rechterlijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij de wetten van 21 augustus 1948, 27 maart 1969, 2 december 1982, 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 en bij de wet van 5 augustus 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift van de wet wordt vervangen door het volgende opschrift : "Wet houdende sommige statutaire bepalingen betreffende de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten"; 2° artikel 1, eerste lid, wordt vervangen door de volgende bepaling : "De Koning kan gerechtelijke officieren en agenten instellen."; 3° de artikelen 1, tweede lid, 3, tweede lid, 7, 8, tweede tot vierde lid, 10, 12 en 13 worden opgeheven. HOOFDSTUK III. - Opheffing van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht. Art. 212. De wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, gewijzigd bij de wetten van 8 april 1969, 29 december 1975, 4 maart 1987, 18 juli 1991, 13 juli 1992, 9 december 1994, 20 december 1995, 3 april 1997 en 17 november 1998 en bij het koninklijk besluit van 23 april 1997, wordt opgeheven. Artikel 11 van dezelfde wet blijft evenwel van kracht voor het vastleggen van het oorspronkelijk statuut van de leden van de categorie bijzonder politiepersoneel en van de overgeplaatste militairen die deel uitmaken van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht. Art. 212bis. <Ingevoegd bij W 2007-05-15/43, art. 37; Inwerkingtreding : 15-06-2007> De Koning bepaalt de regels van de statutaire inschaling van de personeelsleden van de voormalige luchtvaartpolitie voor hun overgang tussen 1 maart 1999 en 31 maart 2001, op hun verzoek, naar het operationeel korps van de voormalige rijkswacht. HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering. Art. 213. In artikel 9 van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 10 oktober 1967, 11 februari 1986, 3 augustus 1992, 4 maart 1997 en 12 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "door de personeelsleden van de gemeentepolitie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie" worden geschrapt; 2° de woorden "Door de officieren van de rijkswacht" worden vervangen door de woorden "Door de leden van de federale politie en van de lokale politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie". Art. 214. Hoofdstuk II van het eerste boek van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 215. In artikel 16 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 11 februari 1986 en het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, worden de woorden "in artikel 203 van de Nieuwe Gemeentewet bedoelde veldwachters, de" geschrapt; 2° in het derde lid, gewijzigd bij de wet van 11 februari 1986, worden de woorden "lid van de gemeentepolitie" vervangen door het woord "politieambtenaar". Art. 216. In artikel 17 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 11 februari 1986 en het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, worden de woorden "in artikel 203 van de Nieuwe Gemeentewet bedoelde veldwachters, de" geschrapt. Art. 217. In de artikelen 20 en 21 van hetzelfde Wetboek, respectievelijk vervangen en gewijzigd bij de wet van 11 februari 1986, worden de woorden "lid van de gemeentepolitie" vervangen door het woord "politieambtenaar". Art. 218. In artikel 28ter, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "artikel 6 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en, wat betreft de rijkswacht, overeenkomstig de artikelen 44 tot 50 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht" vervangen door de woorden "de artikelen 8 tot 8/3 en 8/6 tot 8/8 van de wet op het politieambt en, wat de federale politie betreft, overeenkomstig artikel 110 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus". Art. 219. Een artikel 47quater, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek : "Art. 47quater. Een federale magistraat wordt belast met het toezicht op de werking van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat waakt er in het bijzonder over dat de gespecialiseerde gerechtelijke opdrachten door deze algemene directie worden uitgevoerd overeenkomstig de vorderingen en richtlijnen van de gerechtelijke overheden. Een federale magistraat wordt belast met het specifieke toezicht op de werking van de "dienst ter bestrijding van de corruptie" binnen de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie. Deze magistraat brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Wetgevende Kamers medegedeeld. Deze magistraat kan door het Parlement worden gehoord over de algemene werking van deze "dienst ter bestrijding van de corruptie".". Art. 220. In artikel 48 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 10 oktober 1967, worden de woorden "officieren van de rijkswacht" vervangen door de woorden "leden van de federale politie en van de lokale politie bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings". Art. 221. Artikel 50 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967 en het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, wordt opgeheven. Art. 222. In artikel 56, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "artikel 6 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en, wat betreft de rijkswacht, overeenkomstig de artikelen 44 tot 50 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht" vervangen door de woorden "de artikelen 8 tot 8/3 en 8/6 tot 8/8 van de wet op het politieambt en, wat de federale politie betreft, overeenkomstig artikel 110 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus". HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. Art. 223. Artikel 3, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten wordt vervangen door de volgende bepaling : "1° "politiediensten", naast de lokale politie en de federale politie, de diensten die ressorteren onder de overheden en instellingen van openbaar nut, waarvan de leden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of van agent van gerechtelijke politie zijn bekleed;". Art. 224. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : "Art. 7. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder de "bevoegde ministers" naargelang van het geval : 1° de minister van Justitie, voor : a) de uitoefening door de politiediensten van de opdrachten van gerechtelijke politie; b) de uitoefening, door de federale politie, van de opdrachten die de veiligheid van de Staat betreffen; 2° de minister van Binnenlandse Zaken, voor : a) de uitoefening, door de politiediensten, van de opdrachten van bestuurlijke politie; b) de organisatie en de normen inzake het beheer van de lokale politie. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder "de bevoegde overheden" : 1° de procureur-generaal bij het hof van beroep, de federale procureur en de procureur des Konings voor de uitoefening, door de politiediensten, van de opdrachten van gerechtelijke politie in hun respectievelijke ambtsgebieden; 2° de territoriaal bevoegde burgemeester, voor de uitoefening, door de politiediensten, van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente; 3° de burgemeester of het politiecollege voor de organisatie, het beheer en de leiding van het lokale politiekorps.". HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen aan de provinciewet. Art. 225. In artikel 69, 3°, van de provinciewet, ingevoegd door de wet van 22 december 1989, worden de woorden "brigadecommissaris, bedoeld in artikel 206 van de nieuwe gemeentewet" vervangen door de woorden "de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134". Art. 226. Artikel 128 van de provinciewet, gewijzigd door de wet van 27 mei 1975, wordt vervangen door de volgende bepaling : "Art. 128. De gouverneur zorgt in de provincie voor het handhaven van de openbare orde, te weten de openbare rust, veiligheid en gezondheid. Daartoe kan hij een beroep doen op de federale politie. Hij richt zich daarvoor tot de bestuurlijke directeur-coördinator. Hij ziet toe op een goede samenwerking tussen de politiediensten en tussen de politiezones in de provincie. Hij kan door de bevoegde ministers worden belast met bijzondere opdrachten met betrekking tot veiligheid en politie.". Art. 227. Het opschrift van titel X van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden "en de verbindingsambtenaren". Art. 228. In artikel 133 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, gewijzigd door de wet van 6 juli 1987, worden de woorden "in hun arrondissement of arrondissementen" geschrapt; 2° het tweede lid, ingevoegd door de wet van 30 januari 1924 en gewijzigd door de wetten van 29 juni 1976 en 6 juli 1987, wordt opgeheven. Art. 229. Artikel 134 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juli 1987, wordt opnieuw ingevoegd in de volgende lezing : "Art. 134. Eén of meer verbindingsambtenaren uit de politiediensten worden gedetacheerd bij de provinciegouverneur. Zij staan de provinciegouverneur en de arrondissementscommissarissen bij in hun opdrachten inzake veiligheid en politie en oefenen hun taak uit onder het gezag van de gouverneur. De Koning bepaalt per provincie het aantal verbindingsambtenaren. De verbindingsambtenaar wordt door de provinciegouverneur aangewezen overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden.". HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen aan het Veldwetboek. Art. 230. Artikel 61, tweede lid, van het Veldwetboek, vervangen door de wet van 30 januari 1924 en gewijzigd door de wet van 11 februari 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling : "Die wachters zijn bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie in de gevallen waarvoor ze bevoegd zijn om misdrijven op te sporen en vast te stellen.". Art. 231. Artikel 66 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 11 februari 1986, wordt opgeheven. Art. 232. In artikel 67 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 11 februari 1986, worden de woorden "de veldwachters bedoeld in artikel 182 van de nieuwe gemeentewet" vervangen door de woorden "de politieambtenaren van de lokale politie". Art. 233. Artikel 69, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 11 februari 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling : "In de gevallen bedoeld in artikel 68 mogen de boswachters van de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen, niet weigeren, op straffe van een geldboete van 25 frank, de leden van de lokale politie of van de federale politie, die hun aanwezigheid vorderen. te vergezellen.". HOOFDSTUK VIII. - Wijziging aan de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken. Art. 234. Artikel 3, § 3, 6°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vernummerd bij de wet van 20 mei 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : "6° de federale politie". TITEL VIII. - Overgangsbepalingen. HOOFDSTUK I. - Het personeel. Afdeling 1. - De lokale politie. Art. 235. De leden van de gemeentelijke politiekorpsen, met inbegrip van de hulpagenten van politie alsook de leden van het operationeel kader van de federale politie in dienst bij de territoriale brigades en die worden aangewezen door de Koning overeenkomstig de bepalingen en nadere regels, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit, gaan over naar het operationeel kader van de lokale politie. De leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen gaan over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. Het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen kunnen overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. De militairen, overgeplaatste militairen en burgers die deel uitmaken van het administratief en logistiek kader van de federale politie, en het burgerlijk hulppersoneel van de federale politie die in dienst zijn bij de territoriale brigades en die worden aangewezen door de minister van Binnenlandse Zaken gaan over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. Art. 236. De personeelsleden bedoeld in het vorige artikel zijn onderworpen aan de bepalingen die het statuut of de rechtspositie vastleggen van de leden van het operationeel of van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de lokale politie. Zij kunnen echter beslissen onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die, naargelang het geval, van toepassing zijn op de leden van de gemeentepolitie en op het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentepolitiekorpsen en de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentepolitiekorpsen. Hetzelfde geldt voor de leden van het operationeel korps van de rijkswacht, voor de leden van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, voor de militairen, voor de overgeplaatste militairen, voor de burgers van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht en voor het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die werd geboden in artikel 242, tweede lid. De beslissing bedoeld in het tweede en derde lid wordt genomen binnen de drie maanden die volgen op de inwerkingtreding van onderhavig artikel en wordt door het betrokken personeelslid schriftelijk meegedeeld aan de bevoegde overheid. Eenmaal overgegaan naar een lokaal politiekorps kan het personeelslid bedoeld in het tweede en derde lid te allen tijde vragen om te worden onderworpen aan de bepalingen bedoeld in het eerste lid. In dit geval echter zijn de artikelen 123 tot 127 en 129 tot 132 van toepassing op de politieambtenaren, de artikelen 123, tweede lid, tot 127 en 129 tot 132 van toepassing op de hulpagenten, en de artikelen 125, eerste tot vierde lid, 126, §§ 1 en 2, 127, eerste en tweede lid, 129 tot 132 van toepassing op de leden van het administratief en logistiek kader. De wijzigingen die werden aangebracht aan de wetten en reglementen bedoeld bij het tweede lid zijn ook na de datum van hun overgang op hen van toepassing. Art. 237. <opgeheven bij W 2000-12-27/32, art. 48, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 238. De gemeenteraad of de politieraad kan, binnen een periode van maximaal twee jaar die ingaat op de datum van inwerkingtreding van dit artikel en binnen de voorwaarden vastgesteld door de Koning, beslissen tot een vrijwillige maatregel van verlof voorafgaand aan de pensionering voor de categorieën van graden van politieofficieren en voor andere categorieën van personeelsleden van de lokale politie die minstens 56 jaar en minder dan 60 jaar oud zijn en ten minste 20 jaar aanneembare dienstjaren tellen voor de opening van het recht op pensioen in de openbare sector, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en andere perioden die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking werden genomen met uitzondering van de hulpagenten van politie. (Enkel die leden van de lokale politie die op de datum van de beslissing van de gemeenteraad of politieraad tot toekenning van deze vrijwillige maatregel, effectief deel uitmaken van de politiezone waar de maatregel van toepassing is, komen in aanmerking voor deze vrijwillige maatregel. De gemeenteraad of de politieraad die reeds een beslissing nam als bedoeld in de vorige leden, kan voor de personeelsleden die door mobiliteit overkomen of overkwamen naar de politiezone waarvoor de gemeenteraad of de politieraad bevoegd is, nog een aanvullende beslissing nemen tot vrijwillige maatregel van verlof voorafgaand aan de pensionering, en dit volgens de regels bepaald in dit artikel.) <W 2002-04-26/30, art. 116, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> Art. 239. De gemeente (of de politieraad) kent aan het personeelslid dat vrijwillig verlof voorafgaand aan de pensionering heeft genomen een wachtgeld toe dat gelijk is aan 80 % van de laatste activiteitswedde. Onder laatste activiteitswedde dient te worden verstaan de laatst toegekende jaarwedde voor volledige prestaties, de aanvullende wedde en het ontvangen bedrag voor onregelmatige prestaties. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden volgens dezelfde proporties toegekend. <W 2002-04-26/30, art. 117, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> De statutaire personeelsleden die het in het eerste lid bedoelde verlof nemen, mogen, mits voorafgaande toelating, andere beroepsactiviteiten uitoefenen, met dien verstande dat, indien de inkomsten uit de beroepsactiviteiten de grenzen inzake cumulatie, bepaald bij de artikelen 4 en 9 van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, overschrijden, het wachtgeld wordt verminderd of geschorst op dezelfde wijze als het rustpensioen. Het geldelijk en administratief statuut van de personeelsleden die vrijwillig verlof voorafgaand aan de pensionering hebben genomen, wordt bepaald door de Koning. Wordt in aanmerking genomen, zowel voor de toekenning als voor de berekening van het rustpensioen, de tijd gedurende welke betrokkene met vrijwillig verlof diende te gaan, voorafgaandelijk aan het pensioen. Voor de berekening van de normale gemiddelde wedde bedoeld in artikel 156, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, wordt rekening gehouden met de wedden waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in dienst was gebleven. Deze gemiddelde wedde wordt bovendien samengesteld door de weddeschaal en de weddebijslagen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het pensioen waarop de agent aanspraak zou hebben gemaakt indien hij in dienst was gebleven. Art. 240. De brigadecommissarissen die op de dag van het in werking treden van deze wet in dienst zijn, kunnen hun betrekking blijven uitoefenen met het behoud van hun statuut. Hun opdrachten zijn deze van de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet. Overeenkomstig artikel 69, 3°, van dezelfde wet, staat de provincieraad verder in voor de kredieten, nodig om de financiële last te dekken verbonden aan hun betrekking. De brigadecommissarissen kunnen zich evenwel ook, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden, kandidaat stellen voor een benoeming of een aanwijzing in een betrekking bij de politiediensten. (De bij toepassing van het tweede lid verkregen benoeming of aanwijzing houdt voor de kandiderende brigadecommissaris in dat hij met ingang van de dag waarop de benoemings- of aanwijzingsbeslissing hem is ter kennis gebracht of betekend, ongeacht zijn statuut, van rechtswege lid wordt van het officierskader van het operationeel kader en van rechtswege onderworpen is aan alle bepalingen die het statuut vastleggen van de personeelsleden bedoeld in artikel 117. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de graad waarmee de brigadecommissarissen worden bekleed die met toepassing van het tweede lid overgaan naar het operationeel kader van de politiediensten. De in het derde lid bedoelde beslissing tot benoeming of aanwijzing bepaalt uitdrukkelijk dat vanaf de datum van kennisgeving of betekening ervan de betrokken brigadecommissaris onderworpen is aan alle bepalingen die het statuut vastleggen van de personeelsleden bedoeld in artikel 117. Voor de toepassing van artikel 248, vierde lid, wordt de brigadecommissaris die zich met toepassing van het tweede lid kandidaat stelt voor een betrekking in een lokaal politiekorps geacht een gewezen lid van de gemeentepolitie te zijn. <W 2001-04-02/34, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Afdeling 2. - De federale politie. Art. 241. Onverminderd artikel 235, gaan de leden van het operationeel korps en van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht en de gerechtelijke officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten over naar het operationeel kader van de federale politie. Onverminderd artikel 235, gaan de militairen, overgeplaatste militairen en burgers die deel uitmaken van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht, het hulppersoneel van de gerechtelijke politie bij de parketten en het contractueel personeel van de algemene politiesteundienst over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie. (De personeelsleden van het Ministerie van Justitie, aangewezen door de Minister van Justitie, gaan over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie en dit naar rata van de capaciteit die in dat Ministerie wordt besteed aan het beheer en de werking van de gewezen gerechtelijke politie bij de parketten. De personeelsleden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, aangewezen door de Minister van Binnenlandse Zaken, gaan over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie. De personeelsleden werkzaam in de algemene politiesteundienst, die geen lid zijn van een politiedienst en die worden aangewezen door, naar gelang van het geval, de Minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie, gaan over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie.) <W 2001-04-02/34, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 242. De in het vorige artikel bedoelde personeelsleden zijn onderworpen aan de bepalingen die het statuut of de rechtspositie vastleggen van de leden van het operationeel of van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de lokale politie. (Zij kunnen echter beslissen onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die, naar gelang van het geval, van toepassing zijn op de leden van het operationeel korps van de rijkswacht, op de leden van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, op de gerechtelijke officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten, op de militairen, overgeplaatste militairen en burgers van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht of van de gerechtelijke politie bij de parketten of op de in artikel 241, derde tot vijfde lid, bedoelde personeelsleden.) <W 2001-04-02/34, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De beslissing bedoeld in het tweede lid wordt genomen binnen de drie maanden die volgen op de inwerkingtreding van onderhavig artikel en wordt door het betrokken personeelslid schriftelijk meegedeeld aan de bevoegde overheid. Eenmaal overgegaan naar de federale politie kan het personeelslid te allen tijde vragen om te worden onderworpen aan de bepalingen bedoeld in het eerste lid. In het bij het tweede lid bepaalde geval, zijn de artikelen 123 tot 127 en 129 tot 132 op hen van toepassing. De wijzigingen aan de wetten en reglementen bedoeld in het tweede lid die werden aangebracht na de datum van hun overgang, zijn op hen eveneens van toepassing. Art. 243. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie en van de minister van Binnenlandse Zaken, het statutair en contractueel personeel van de parketten dat overgaat naar het administratief en logistiek kader van de federale politie, op de datum van de inwerkingtreding van deze wet. De personeelsleden bedoeld in het vorige lid zijn, wanneer zij in werking treden, onderworpen aan de bepalingen die het statuut of de rechtspositie van de leden van het administratief kader van de federale en van de lokale politie vastleggen. Zij kunnen echter beslissen onderworpen te blijven aan de wetten, besluiten en reglementen die van toepassing zon op het statutaire en contractuele personeel van de parketten. De beslissing bedoeld in het derde lid wordt genomen binnen de drie maanden die volgen op de inwerkingtreding van onderhavig artikel en wordt schriftelijk meegedeeld door het betrokken personeelslid aan de bevoegde overheid. Eenmaal overgegaan naar het administratief en logistiek kader van de federale politie kan het personeelslid te allen tijde vragen om te worden onderworpen aan de bepalingen bedoeld in het tweede lid. In dat geval zijn evenwel de artikelen 125, 126, §§ 1 en 2, 127, eerste en tweede lid, 129 tot 132 op hen van toepassing. De wijzigingen aan de wetten en reglementen bedoeld in het tweede lid die werden aangebracht na de datum van hun overgang, zijn op hen eveneens van toepassing. Zij kunnen zich, gedurende een periode van tien jaar te rekenen vanaf hun overgang, kandidaat stellen voor de betrekkingen van hoofdsecretaris, van secretaris, van adjunct-secretaris en van opsteller, volgens de voorwaarden bepaald in de artikelen 182, 183, 273 tot 280bis en 282 van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval wordt de graadanciënniteit verworven binnen het administratief en logistiek kader van de federale politie gelijkgesteld met de parketanciënniteit. Art. 244. Elk personeelslid van de gerechtelijke politie bij de parketten en elk lid van de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht, wordt aangewezen voor de algemene directie van de gerechtelijke politie of voor de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, tenzij zij voor een andere functie in de federale politie kiezen en deze hen wordt toegewezen. Art. 245. <opgeheven bij W 2000-12-27/32, art. 48, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 246. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen de instanties die de instanties vervangen die werden afgeschaft door of krachtens deze wet, voor de uitvoering van de wetten en reglementen die betrekking hebben op het personeelsstatuut bedoeld bij artikelen 241 tot 243. Art. 246bis. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 116; Inwerkingtreding : 04-11-2000> De aanwijzingen bij de centrale diensten van de federale politie en bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie mogen tot 31 december 2002 zonder taalkaders plaatsvinden. Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepaling. Art. 247. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met naleving van artikel 122, eerste lid, de voorwaarden en de nadere regels van de eerste aanstelling voor de functies van commissaris-generaal, directeur-generaal, bestuurlijke directeur-coördinator, gerechtelijke directeur van de federale politie, korpschef van de lokale politie en inspecteur-generaal. (De Koning kan de in het eerste lid bedoelde eerste aanstellingen uitvoeren zonder dat voorafgaandelijk een organiek kader en zonder dat voorafgaandelijk taalkaders voor de federale politie en voor de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie zijn vastgesteld. De taalpariteit wordt tot stand gebracht, enerzijds, in de groep samengesteld uit de commissaris-generaal, de inspecteur-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal en, anderzijds, in de groep van directeurs bij een algemene directie van de federale politie en bij de diensten van de commissaris-generaal en van de adjunct-inspecteurs-generaal.) <W 2001-12-30/30, art. 117, 009; Inwerkingtreding : 04-11-2000> Art. 247bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 30; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De gemeente- of de politieraad doet voor het einde van de derde maand na de installatie van de gemeenteraad in de politiezones die bestaan uit één gemeente, of van de politieraad als het een meergemeentezone betreft, de gemotiveerde voordracht voor de bij eerste aanstelling in de zin van artikel 247 te benoemen chef van het lokale politiekorps. Onverminderd de toepassing van de artikelen 52 en 89 en indien niet is voldaan aan de bepalingen van het eerste lid, wordt, met ingang van de eerste maand na het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn, de uitbetaling van de in artikel 41 bedoelde federale toelage van rechtswege opgeschort en dit ten belope van een twaalfde ervan per begonnen maand. In voorkomend geval kan de federale Staat reeds uitgevoerde uitbetalingen terugvorderen. Zodra een gemeenteraad of een politieraad de in het eerste lid bepaalde gemotiveerde voordracht heeft gedaan of indien toepassing werd gemaakt van artikel 247ter, tweede of derde lid, zodra de korpschef is benoemd, houdt de opschorting van de uitbetaling van de in artikel 41 bedoelde federale toelage op met ingang van de eerste van de maand volgend op de maand waarin de gemotiveerde voordracht is geschied. De met toepassing van het tweede lid niet betaalde twaalfden van de federale toelage blijven evenwel vervallen tenzij de minister van Binnenlandse Zaken, op gemotiveerd voorstel van de gouverneur, besluit dat het niet vervullen van het bepaalde in het eerste lid, het gevolg van overmacht is. In dit laatste geval worden de vervallen bedragen uitbetaald. Art. 247ter. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 31; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Onverminderd de toepassing van artikel 89 en van artikel 247bis, tweede lid, richt de Minister van Binnenlandse Zaken na het verstrijken van de in artikel 247bis, eerste lid, bepaalde termijn, een verzoek tot de in gebreke blijvende gemeente of meergemeentezone om over te gaan tot de voordracht van een geschikt bevonden kandidaat voor de eerste aanwijzing als chef van de lokale politie. In dit verzoek maakt hij melding van het bepaalde in het tweede lid. Indien de gemeenteraad of de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen vóór 1 november 2001, dan wordt aan deze voordracht voorbijgegaan en stelt de Koning de korpschef van de lokale politie aan uit de lijst van de met toepassing van de in artikel 247 bepaalde voorwaarden en regels geschikt bevonden kandidaten en na kennis te hebben genomen van de adviezen waarvan de inwinning is opgelegd krachtens het in uitvoering van artikel 247 genomen besluit. Indien blijkt dat op 1 november 2001 nog geen lijst van de kandidaten is opgemaakt die geschikt werden bevonden, kan de Minister van Binnenlandse Zaken zelf, op kosten van de gemeente of meergemeentezone, de in uitvoering van artikel 247 bepaalde eerste aanwijzingsprocedure aanvatten dan wel voortzetten, met dien verstande dat hij hierbij in de plaats treedt van, naar gelang van het geval, de gemeenteraad, de politieraad, de burgemeester, het politiecollege of de voorzitter van het politiecollege, voor elke beslissing die met betrekking tot deze aanwijzingsprocedure door deze organen moet worden genomen of voor elke handeling die door deze moet worden gesteld. De Koning stelt vervolgens de korpschef van de lokale politie aan uit de lijst van de met toepassing van dit lid geschikt bevonden kandidaten en na kennis te hebben genomen van de adviezen waarvan de inwinning is opgelegd krachtens het in uitvoering van artikel 247 genomen besluit. De invordering van de in het derde lid bepaalde kosten geschiedt overeenkomstig artikel 89, tweede lid. Art. 247quater. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 118; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De overgang van het personeel, bedoeld in de artikelen 128 en 235, wordt, voor wat betreft de onmiddellijke opeisbaarheid van geldelijke rechten, niet beschouwd als een verandering van werkgever. Afdeling 4. - Het secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus <Ingevoegd bij W 2008-07-24/35, art. 146; Inwerkingtreding : 17-08-2008> Art. 247quinquies. <Ingevoegd bij W 2008-07-24/35, art. 146; Inwerkingtreding : 17-08-2008> In afwijking van artikel 149septies, staat de functie van directeur-diensthoofd van het secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, in het raam van de eerste aanwijzing voor die functie, ook open voor de personeelsleden van het operationeel kader. Het personeelslid van het operationeel kader dat eventueel is aangewezen voor die functie, behoudt zijn statuut. HOOFDSTUK II. - Organisatie. Art. 248. De lokale politie wordt per groep van politiezones ingesteld, wanneer de Koning vaststelt dat de volgende voorwaarden die noodzakelijk zon voor de oprichting van een lokale politie vervuld zijn : 1° het territoriaal ambtsgebied van de zone is bepaald overeenkomstig artikel 9; 2° het effectief en het kader van het lokale politiekorps is vastgelegd overeenkomstig de artikelen 38 en 47; 3° de federale dotatie van de politiezone bedoeld in artikel 41 is bepaald; 4° in een ééngemeentezone stemt de ingeschreven begroting voor de kosten die ten hare laste voor het lokale politiekorps worden gelegd, overeen met de minimumnormen. In een meergemeentezone wordt de gemeentelijke dotatie en de verdeling van de dotaties onder de gemeenten bepaald overeenkomstig de minimumnormen. Die minimumnormen worden vastgelegd overeenkomstig (de artikelen 39 en 40); <W 2001-12-30/30, art. 118, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> 5° (...) (Opgeheven) <W 2001-04-02/34, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Het koninklijk besluit tot inrichting van de lokale politie maakt de (artikelen 202 tot 210), 225 en 235 tot 239 van kracht in deze politiezone. <W 2001-12-30/30, art. 120, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De leden van de territoriale brigades van de federale politie genieten voorrang voor de opvulling van het verschil tussen de minimale formaties van de zone zoals bepaald door de Koning in uitvoering van artikel 38 en de huidige globale formatie van de gemeentepolitiekorpsen van deze zone. De toekenning van de ambten die een gezagsuitoefening inhouden in de personeelsformatie van het lokaal politiekorps waarborgt een evenredige verdeling van deze ambten tussen de gewezen leden van de gemeentepolitie en van de territoriale brigades van de federale politie. (Indien er evenwel onvoldoende officieren zijn voor het aldus begeven van de ambten van hoger officier, geldt vervolgens voor die ambten een evenredige verdeling tussen de gewezen leden van de gemeentepolitie en de leden van de federale politie, in functie van hun respectieve inbreng.) <W 2001-04-02/34, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Voor de eerste vaststelling bedoeld in artikel 12, vierde lid, worden de bevoegdheden van de politieraad door de gouverneur uitgeoefend.) <W 2001-04-02/34, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 248bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2001> § 1. De roerende goederen met inbegrip van de onroerende goederen door bestemming, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein die worden aangewend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de gemeentepolitie worden aan de meergemeentezone overgedragen. De roerende goederen met inbegrip van de onroerende goederen door bestemming, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein die worden aangewend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de territoriale brigades van de federale politie worden aan de meergemeentezone of aan de gemeente, naar gelang van het geval, overgedragen. § 2. De in § 1 bedoelde overdrachten worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenwerpelijk aan derden, op de datum van de oprichting van de politiezone vastgesteld overeenkomstig artikel 248. (§ 3. De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de inventaris- en schattingsregels van de in § 1 bedoelde goederen. De effectieve overdracht van het patrimonium van de gemeente gebeurt na goedkeuring van de gemeenteontvanger en de korpschef en bevat per 31 december 2001 de volledige inventaris van het collectief materieel. Bij de definitieve overdracht van de patrimonia dienen de gemeenteontvanger of de bijzondere rekenplichtige samen met de zonechefs te controleren of het volledig patrimonium en alle dotaties aan de zone werden overgedragen. Elk geschil wordt in eerste instantie aan het politiecollege voorgelegd. De bestuurlijke directeur-coördinator woont de beraadslagingen van het politiecollege bij indien er een conflict ontstaat in verband met de goederen van de brigades van de federale politie. De minister van Binnenlandse Zaken of zijn afgevaardigde beslecht de geschillen in hoger beroep. Hij laat zich door een comité van deskundigen bijstaan.) <W 2002-04-26/30, art. 118, 010; Inwerkingtreding : 30-04-2002> § 4. De meergemeentezone of de gemeente neemt de rechten en verplichtingen over van de gemeente of van de federale Staat, naar gelang van het geval, betreffende de haar krachtens § 1 overgedragen goederen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures. De overdragende gemeente of de federale Staat, naar gelang van het geval, blijft echter gehouden voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering opeisbaar was vóór de eigendomsoverdracht van de in dit artikel bedoelde roerende goederen. § 5. De in dit artikel bedoelde goederen worden overgedragen in de staat waarin zij zich bevinden, met inbegrip van de aan deze goederen verbonden lasten en verplichtingen. § 6. Indien er een geschil rijst in verband met een overgedragen goed kan de meergemeentezone of de gemeente, naar gelang van het geval, steeds de overdragende gemeente of de federale Staat bij de zaak betrekken. Deze laatsten kunnen steeds in de zaak vrijwillig tussenkomen. Art. 248ter. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De goederen, die tot de niet-gespecialiseerde individuele uitrusting van een politieambtenaar behoren, worden, naar gelang van het geval, van rechtswege overgemaakt aan de politiezone, de gemeente of de federale Staat, wanneer die politieambtenaar het voorwerp uitmaakt van een maatregel van mobiliteit tussen twee korpsen van de lokale politie, of tussen de laatstgenoemde en de federale politie, of wanneer hij wordt gedetacheerd, aangesteld of bevorderd in een andere politiedienst. Art. 248quater. <Ingevoegd bij W 2001-07-19/38, art. 39; Inwerkingtreding : 28-07-2001> § 1. De onroerende goederen, eigendom van de Belgische Staat en beheerd door de Regie der Gebouwen (administratieve en logistieke gebouwen en hun terreinen), die noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de federale ambtenaren die, in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, naar de lokale politie worden overgeheveld, worden geheel of gedeeltelijk overgedragen aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones waarin de betreffende onroerende goederen zijn gelegen. De gemeenten of de meergemeentepolitiezones treden in de rechten, plichten en lasten van de Regie der Gebouwen betreffende de overgedragen onroerende goederen. De voorwaarden en de modaliteiten van de overdracht en de correctiemechanismen met het oog op een gelijke behandeling van de gemeenten en de meergemeentepolitiezones worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Deze correctiemechanismen zullen in hoofdzaak rekening houden met de oppervlakte, de ouderdom en de staat van elk gebouw. De lijst van de over te dragen onroerende goederen wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking maakt de overdracht tegenstelbaar aan derden zonder enige andere formaliteit. (Aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op de staatslogementen en op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen die niet aan de gemeenten en meergemeentepolitiezones werden overgedragen, maar die een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen. Aan de Belgische Staat wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen en die door de gemeenten of meergemeentepolitiezones opnieuw te koop zouden gesteld worden of met zakelijke rechten zouden worden bezwaard, indien deze gebouwen, gebouwengedeelten en terreinen een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke niet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen.) <W 2002-08-02/45, art. 164, 011; Inwerkingtreding : 29-08-2002> § 2. De gemeenten en de meergemeentepolitiezones treden in de rechten, plichten en lasten van de Regie der Gebouwen die voortvloeien uit de huurovereenkomsten die de Regie heeft afgesloten in de mate dat ze gebouwen of gebouwengedeelten (administratieve en logistieke gebouwen) betreffen die federale ambtenaren huisvesten die, in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de lokale politie worden overgedragen. De lijst van deze gebouwen of gebouwengedeelten wordt vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Regie der Gebouwen wordt ertoe gemachtigd om met de eigenaars de gehele of gedeeltelijke overdracht van de huurovereenkomst te onderhandelen. De ten laste neming van de inhuringen gebeurt overeenkomstig de principes bepaald in het koninklijk besluit vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Art. 248quinquies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 121; Inwerkingtreding : 31-12-2001> De overheid die tot aan de datum van de instelling van het lokale politiekorps, ingevolge artikel 248, de kosten heeft gedragen van de wedde en in voorkomend geval, van de toelagen en vergoedingen verschuldigd aan de korpschef van de lokale politie of van de huisvesting, kleding of uitrusting van deze politieambtenaar, is gerechtigd de bedragen van de mandaattoelage als korpschef van de lokale politie, terug te vorderen van de gemeente of de politiezone, waar de korpschef is aangewezen. Kent die overheid aan die politiezone een toelage of een dotatie toe dan neemt zij dit bedrag vooraf van die toelage of dotatie voor het jaar 2002. Is die overheid een gemeente van een meergemeentezone die de bedoelde kosten heeft gedragen van een korpschef afkomstig uit een gemeente van buiten de zone of van de federale politie dan is die gemeente gerechtigd de bedoelde wedde, toelagen en vergoedingen, met inbegrip van mandaatstoelage, die werden uitbetaald aan die korpschef terug te vorderen van de politiezone waar de korpschef is aangewezen. Art. 248sexies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 122; Inwerkingtreding : 31-12-2001> In het jaar 2002 mogen in een meergemeentenzone elke maand door middel van voorlopige kredieten uitgaven gedaan worden ten belope van ten hoogste één twaalfde van het totale bedrag van de gewone dienst van de begroting zoals die door de politieraad is vastgesteld of, indien de begroting nog niet is vastgesteld, ten belope van het bedrag dat door de politieraad daartoe is bepaald, als die uitgaven door het politiecollege onontbeerlijk worden geacht voor de continuïteit van de politiedienst in de zone en tevens, onder de vorm van voorschotten, voor de betalingen van netto-wedden die verschuldigd zijn aan de personeelsleden en aan de bijzondere rekenplichtige. Art. 248septies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 123; Inwerkingtreding : 31-12-2001> Indien de personeelsleden van de territoriale brigades van de federale politie, bedoeld in artikel 235, op 1 januari 2002 nog niet zijn overgegaan naar de lokale politie of indien deze personeelsleden op welke datum ook overgaan naar de lokale politie en blijkt dat de gemeente of de politiezone in gebreke blijft of zal blijven om de wedden, toelagen en vergoedingen te betalen die aan deze personeelsleden verschuldigd zijn, dan is de uitbetalingsdienst van de federale politie gemachtigd onder de vorm van voorschotten, bedragen gelijk aan de netto-wedden aan de personeelsleden uit te betalen en de gedane uitgaven in mindering te brengen van de federale toelage die aan die politiezone verschuldigd is. Alle uitgaven aldus gedaan door de federale politie worden, ook voor alle sociale en fiscale aangelegenheden, geacht te zijn gedaan door en voor de desbetreffende politiezone. Art. 248octies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 124; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Het personeel waarvoor de gemeente een toelage ontvangt van de federale overheid in uitvoering van een veiligheids- of preventiecontract en waarvan de arbeidsovereenkomst een einde neemt op 31 december 2001, wordt voor de toepassing van artikel 235, derde lid, geacht nog steeds in dienst te zijn op de datum van oprichting van het lokale politiekorps. Art. 248nonies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 125; Inwerkingtreding : 31-12-2001> Voor de maand of maanden in het jaar 2002 waarin het lokale politiekorps nog niet is opgericht overeenkomstig artikel 248 neemt de minister van Binnenlandse Zaken ten voordele van de federale politie op de federale toelage voor die maand of maanden het door hem bepaalde bedrag vooraf dat rechtstreeks of onrechtstreeks nodig is voor het verder functioneren van de territoriale brigades van de federale politie. Deze voorafgenomen bedragen kunnen voor de personeelskost, overeenkomstig artikel 248septies, worden aangewend alsmede voor de werkingskosten van de territoriale brigades van de federale politie. Het saldo wordt slechts uitbetaald aan de politiezone nadat zij is opgericht ingevolge artikel 248. Art. 248decies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 126; Inwerkingtreding : 31-12-2001> Indien bij de instelling van het lokale politiekorps het sociaal secretariaat GPI de gegevens betreffende de personeelsleden van de gemeentepolitie niet heeft overgenomen, betaalt de bijzondere rekenplichtige, onder de vorm van voorschotten, een bedrag uit gelijk aan de netto-wedden van deze personeelsleden, gebaseerd op de laatste bekende gegevens die de gemeenten hem verstrekken. Art. 248undecies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 127; Inwerkingtreding : 31-12-2001> Voor de maand of maanden van het jaar 2002 waarin het lokale politiekorps nog niet is ingesteld overeenkomstig artikel 248 neemt de gemeenteontvanger ten voordele van het lokale politiekorps op de gemeentelijke dotatie voor die maand of maanden het door hem bepaalde bedrag vooraf dat rechtstreeks of onrechtstreeks nodig is voor het verder functioneren van de gemeentepolitie. Art. 248duodecies. <Ingevoegd bij W 2001-12-30/30, art. 128; Inwerkingtreding : 31-12-2001> Indien het lokale politiekorps nog niet is opgericht op 1 januari 2002, is de gemeenteontvanger gemachtigd om, onder de vorm van voorschotten, bedragen gelijk aan de netto-wedden en gebaseerd op de laatst bekende gegevens, uit te keren aan de personeelsleden van de gemeentepolitie, ten laste van het bedrag ingeschreven voor de gemeentelijke dotatie aan de politiezone. Art. 249. Voorafgaand aan de instelling van de lokale politie kunnen politieovereenkomsten tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de gemeenten van een zone worden afgesloten. Deze overeenkomsten behelzen de nadere regels, met inbegrip van de aanwijzing binnen de zone van een politiechef die alle bestaande politiekorpsen leidt, volgens welke de gemeentepolitekorps(en) en de territoriale brigade(s) van de federale politie optreden als één enkele operationele eenheid onder het gezag van de burgemeester(s) van die gemeente(n) en, voor de opdrachten van gerechtelijke politie, van de procureur des Konings. (...) <W 2001-04-02/34, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Art. 250. In de politiezones waar nog geen lokale politie is opgericht, worden de territoriale rijkswachtbrigades, territoriale brigades van de federale politie die, binnen de vroegere ambtsgebieden van de rijkswachtbrigades, de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie vervullen die door artikel 3 zijn toevertrouwd aan de lokale politiekorpsen. Die opdrachten worden samen met de gemeentepolitie uitgevoerd. De artikelen 16, 21, 35, 44, tweede, vijfde en zesde lid, 51, 51bis en 54bis van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht blijven van kracht ten aanzien van de territoriale brigades van de federale politie tot op de datum van de oprichting van de lokale politiekorpsen. De Koning kan de nadere regels voor de organisatie en werking van de territoriale brigades van de federale politie bepalen. Art. 250bis. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 36; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Ten laatste op 1 november 2001 keurt, met betrekking tot het fiscale dienstjaar 2002, elke gemeenteraad de in artikel 39, eerste lid, bepaalde begroting goed, dan wel de in artikel 40, derde lid, bedoelde dotatie. Indien een gemeente of een meergemeentezone niet voldoet aan de in het eerste lid bepaalde verplichting, kan de Minister van Binnenlandse Zaken of de gouverneur, onverminderd de toepassing van artikel 89, zelf naar gelang van het geval, op kosten van de gemeente of van de meergemeentezone, de in het eerste lid bepaalde begroting of gemeentelijke dotatie, bepalen overeenkomstig de in artikel 39, eerste lid, of 40, eerste lid, vastgestelde minimale begrotingsnormen. De invordering van de in het tweede lid bepaalde kosten geschiedt overeenkomstig artikel 89, tweede lid. Art. 250ter. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 37; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met het oog op de instelling van de lokale politie, keurt de gemeente- of de politieraad uiterlijk voor het einde van de zesde maand na de installatie van de gemeenteraad als het politiezones betreft die bestaan uit één gemeente of van de politieraad als het een meergemeentezone betreft, de in artikel 47, eerste lid, bepaalde personeelsformatie goed en verstuurt dit besluit in uitvoering van artikel 67, eerste lid, binnen dezelfde termijn ter goedkeuring naar de gouverneur. Indien een gemeente of een meergemeentezone niet voldoet aan de in het eerste lid bepaalde verplichting, kan de minister van Binnenlandse Zaken of de gouverneur, onverminderd de toepassing van artikel 89, zelf, naar gelang van het geval, op kosten van de gemeente of de meergemeentezone, de in het eerste lid bedoelde personeelsformatie bepalen overeenkomstig de in uitvoering van artikel 47, eerste lid, vastgestelde minimumnormen. De invordering van de in het tweede lid bepaalde kosten geschiedt overeenkomstig artikel 89, tweede lid. Art. 250quater. <ingevoegd bij W 2000-12-27/32, art. 46, Inwerkingtreding : 01-01-2001> Tot aan de instelling van alle korpsen van de lokale politie, overeenkomstig artikel 248, moet onder de woorden " Leden van de lokale politie " in artikel 96, eerste lid, worden begrepen, " Leden van de lokale politie of van de gemeentepolitie. Art. 250quinquies. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met het oog op en tot de inplaatsstelling van de lokale politie en onverminderd de toepassing van artikel 247bis, zal vanaf 1 april 2001 een door de Koning bepaalde federale toelage rechtstreeks aan de gemeenten uitbetaald worden. Art. 251. Elke procedure inzake overheidsopdrachten, het leveren van werken of diensten ten behoeve van de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten of de algemene politiesteundienst wordt op de datum van inwerkingtreding van dit artikel geldig voortgezet door de minister van Binnenlandse Zaken of zijn afgevaardigde. Hetzelfde principe is van toepassing op de uitvoering van de overheidsopdrachten toegewezen vóór dezelfde datum. HOOFDSTUK III. - De opdrachten. Afdeling 1. - De lokale politie. Art. 252. De opdrachten en bevoegdheden die de wetten en reglementaire besluiten toekennen aan de gemeentepolitie of aan haar personeelsleden, worden uitgeoefend door de lokale politie of haar personeelsleden. (In afwijking van artikel 192, blijven de artikelen 4, eerste lid, vierde gedachtenstreep, en 45, tweede lid, van de wet op het politieambt, van kracht ten aanzien van de gemeentekorpsen tot op de datum van de oprichting van de lokale politiekorpsen.) <W 2000-12-27/32, art. 50, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (In afwijking van artikel 138, behouden de politieambtenaren die overgaan naar het operationeel kader van de lokale politie en die vóór de inwerkingtreding van deze wet de hoedanigheid hadden van officier van bestuurlijke politie, van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hoedanigheid, ongeacht de graad waarin zij zijn ingeschaald.) <W 2005-07-03/53, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Afdeling 2. - De federale politie. Art. 253. De opdrachten en bevoegdheden die de wetten en reglementaire besluiten toekennen aan de rijkswacht of aan de gerechtelijke politie bij de parketten of aan hun personeelsleden, worden uitgeoefend door de federale politie of haar personeelsleden. De algemene politieopdrachten en bevoegdheden die de wetten en reglementaire besluiten toekennen aan de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie of aan hun personeelsleden, worden uitgeoefend door de federale politie of haar personeelsleden. (In afwijking van artikel 138, behouden de politieambtenaren die overgaan naar het operationeel kader van de federale politie en die vóór de inwerkingtreding van deze wet de hoedanigheid hadden van officier van bestuurlijke politie, van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hoedanigheid, ongeacht de graad waarin zij zijn ingeschaald.) <W 2005-07-03/53, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Art. 254. Tot op de datum van hun opheffing blijven de richtlijnen, onderrichtingen en bevelen van de bevoegde overheden met betrekking tot het vervullen van hun opdrachten door de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten van toepassing op de uitvoering van de opdrachten van de federale politie. Art. 255. De federale politie blijft al de vorderingen uitvoeren die aan de rijkswacht of aan de gerechtelijke politie bij de parketten waren toevertrouwd. HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen. Art. 256. De besluiten van de gemeenteraad genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven, wat het administratief toezicht betreft op deze besluiten, onderworpen aan de regelen die op dat tijdstip van kracht waren. Art. 257. In afwijking van artikel 92, wordt het eerste nationaal veiligheidsplan gezamenlijk voorbereid door de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten, en de algemene politiesteundienst. Art. 257bis. <Ingevoegd bij W 2000-12-22/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In afwachting dat de federale Procureur en de federale magistraten de hen bij deze wet, bij de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, bij de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en bij artikel 47quater van het Wetboek van strafvordering opgedragen taken en bevoegdheden kunnen opnemen, worden deze uitgeoefend door magistraten die daartoe worden aangewezen bij ministerieel besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Alleen magistraten die, al naargelang het geval, voldoen aan de voorwaarden om als federale Procureur of federaal magistraat te worden aangewezen, komen hiervoor in aanmerking. Art. 257ter. <ingevoed bij W 2000-12-27/32, art. 51, Inwerkingtreding : 01-01-2001> Zolang de federale politieraad niet is opgericht, regelt de Koning, op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, de in artikel 149, tweede lid, eerste zin, bedoelde aangelegenheden. Art. 257quater. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 39; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De personeelsdiensten van de gemeentepolitie verstrekken het sociaal secretariaat GPI, op diens aanvraag, alle informatie nodig met het oog op de opdrachten bedoeld in de artikelen 140ter en 140quater. Zij treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens, betreffende de betrokken personeelsleden, die opgeslagen zijn in eigen informatiesystemen of in informatiesystemen van rekencentra waarop zij vóór de politiehervorming een beroep deden voor de loonberekening, tijdig, op de informatiedrager en in de vorm gewenst door de CDVU, ter beschikking van het sociaal secretariaat GPI worden gesteld. Art. 257quinquies. <Ingevoegd door W 2001-04-02/34, art. 40; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke aan personeelsleden, van wie het beheer niet vóór de inwerkingtreding van het in artikel 121 bedoelde statuut kan worden overgenomen door het sociaal secretariaat GPI, voorschotten of compensaties kunnen worden gegeven. TITEL VIIIbis. - Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau. <ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 165; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Art. 257sexies. <ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 165; Inwerkingtreding : 29-08-2002> § 1. Bij de Federale overheidsdienst Kanselarij en Algemene Diensten wordt een Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau opgericht. § 2. De Commissie is belast met : 1° de berekening van de meerkosten van de hervorming voor de politiezones; 2° het verlenen van een advies, met betrekking tot de nieuwe opdrachten die worden toevertrouwd aan de politiediensten, over het politieniveau dit ermee belast moet worden en over hun budgettaire weerslag voor het ene of het andere politieniveau; 3° de voorbereiding van een globale evaluatie van alle aspecten van de uitvoering van de politiehervorming op lokaal niveau. Deze evaluatie omvat met name een monitoring van alle problemen die met de politiehervorming op lokaal niveau gepaard gaan. § 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werkingsregelen van de Commissie. TITEL IX. - Slotbepalingen. Art. 258. (Opgeheven) <W 1999-03-24/35, art. 26, 2°, 003; Inwerkingtreding : onbepaald> Art. 259. De Koning kan de bepalingen van deze wet en van de wet op het politieambt, alsook de nog geldende wetsbepalingen betreffende de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten, de gemeentepolitie en de zeevaart-, luchtvaart- en spoorwegpolitie en de leden van die diensten, coördineren, in overeenstemming brengen en vereenvoudigen en er tevens de wijzigingen genoodzaakt door de integratie van die politiedienaren in de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in aanbrengen. Bij de Wetgevende Kamers zal, tijdens de zitting, indien zij vergaderd zijn, zoniet bij het begin van hun volgende zitting, een wetsontwerp worden ingediend ter bekrachtiging van het koninklijk besluit tot coördinatie. Art. 260. De artikelen 1, 2, 5, 9, 121 tot 127 en 130 tot 133, 139, 141, 142, 197 en 198, 2°, 3° en 6°, 245 en 258 treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Tot de oprichting van de federale politie en van de lokale politiekorpsen, zijn de artikelen 122, tweede lid, 123, 125, tweede en derde lid, 126, 127, tweede en derde lid, 130, tweede en derde lid, 131, tweede en derde lid, en 132 van toepassing op de leden van de gemeentepolitie, de leden van het operationeel korps en van de personeelscategorie bijzondere politie van de rijkswacht, en op de officieren en agenten van gerechtelijke politie bij de parketten, alsook, volgens het onderscheid gemaakt in artikel 133, op de hulpagenten van politie van de gemeentepolitie, de militairen, de overgedragen militairen en de burgerlijke personeelsleden die deel uitmaken van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht. het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht, het hulppersoneel van de gerechtelijke politie bij de parketten, het statutair en contractueel personeel van de parketten dat is aangesteld bij de gerechtelijke politie en het contractueel personeel van de algemene politiesteundienst. Tijdens de periode bedoeld in het tweede lid, wordt de bij artikel 126, § 2, toegekende bevoegdheid, uitgeoefend volgens het hierna gemaakte onderscheid : 1° door de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie, gezamenlijk, met betrekking tot de leden van het operationeel korps en van de personeelscategorie bijzondere politie van de rijkswacht, de militairen, de overgedragen militairen, de burgers die deel uitmaken van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht en van het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht; 2° door de minister van Justitie, met betrekking tot de officieren en agenten van gerechtelijke politie bij de parketten, het hulppersoneel van de gerechtelijke politie bij de parketten en het statutair en contractueel personeel van de parketten dat is aangesteld bij de gerechtelijke politie : 3° door de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie samen, met betrekking tot het contractueel personeel van de algemene politiesteundienst; 4° door de burgemeester, met betrekking tot de leden van de gemeentepolitie en de hulpagenten van politie van de gemeentepolitie. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 6 tot 8, 11, 38, 39, 41, 47 tot 60, 65 tot 90, 93, 94, 96, tweede lid, 98, 106, 108, 128, 149, 247 en 257, die niet later kan plaatsvinden dan 1 januari 2000. (De artikelen 117 tot 120, 129, 134 tot 138 (en 140) treden in werking op 1 april 2001.) <W 2000-12-27/32, art. 55, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2001-12-30/30, art. 129, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de andere artikelen van deze wet, die niet later kan plaatsvinden dan 1 januari 2001. (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 260 vastgesteld op 05-01-1999 door KB 1998-12-23/30, art. 6) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 4, 6 tot 8, 11, 38, 39, 41, 47 tot 60, 65 tot 90, 93, 94, 96, tweede lid, 98, 106, 108, 128, 149, 247 en 257 vastgesteld op 01-01-2000 door KB 1999-12-24/36, art. 1) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 95, 99, 100, 101 en 102 vastgesteld op 01-09-2000 door KB 2000-09-03/37, art. 14) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 12 tot 24 vastgesteld op 01-01-2001 door KB 2000-12-20/34, art. 16) <Bij arrest nr 64/99 van 9 juni 1999 (B.St. 12-06-1999, p. 22129) heeft het Arbitragehof artikel 260, eerste lid vernietigd, in zoverre het melding maakt van artikel 245; Opheffing : 01-01-1999> Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 7 december 1998. ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Justitie, T. VAN PARYS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS |
||
| Aanhef | Tekst | Inhoudstafel | Begin |
|---|---|---|---|
|
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : |
|||
| Wijziging(en) | Tekst | Inhoudstafel | Begin | --GEWIJZIGDDOOR-- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
BEELD :| (GEWIJZIGD ART. : 11) | BEELD : | (GEWIJZIGD ART. : 118) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 53;54;142SEX;252;253) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 41;115;140TER;140QUA) | (GEWIJZIGDE
ART. : 149QUA-149NON) | BEELD : | (GEWIJZIGDE
ART. : 115;115BIS;4;36) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 36) | BEELD : | (GEWIJZIGDE
ART. : 4;62) | BEELD : | (GEWIJZIGDE
ART. : 86;88;138;248QUATER;257SEXIE) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 15;25;29BIS;32BIS;34;34TER) | (GEWIJZIGDE ART. : 41;50;51;93;96;96BIS;105BIS) | (GEWIJZIGDE
ART. : 121;121BIS;142TER;149;238) | (GEWIJZIGDE ART. : 239;248BIS;252;115) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 30;31;32;32BIS;34BIS;41BIS) | (GEWIJZIGDE
ART. : 71;85;87;88;149TER;246BIS) | (GEWIJZIGDE ART. : 247;247QUA;248;248QUI;248SEX) | (GEWIJZIGDE
ART. : 248SEP-248DUODEC;260) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 248QUA) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 22BIS) | BEELD : | (GEWIJZIGDE
ART. : 121;142BIS-142SEX) | BEELD : | (GEWIJZIGDE
ART. : 4;12;18BIS;20;20BIS;21BIS;32) | (GEWIJZIGDE ART. : 62;94;107;140BIS;140TER) | (GEWIJZIGDE
ART. : 140QUA;147;149;149BIS;240) | (GEWIJZIGDE ART. : 241;242;247BIS;247TER;248) | (GEWIJZIGDE
ART. : 248BIS;248TER;249;250BIS) | (GEWIJZIGDE ART. : 250TER;250QUI;257QUA;257QUI) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 18TER;18QUA;21TER;21QUA) | BEELD : | (GEWIJZIGDE ART. : 237;245;248;250QUA;252) | (GEWIJZIGDE
ART. : 257TER;260) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 257BIS) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 260) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 126) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 89) | BEELD : | (GEWIJZIGD
ART. : 258) |
| | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Parlementaire werkzaamheden | Tekst | Inhoudstafel | Begin |
|---|---|---|---|
| Gewone zitting 1997-1998 : Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Wetsvoorstel, nr. 1676/1. - Amendementen, nrs. 1676/2 tot 4. - Advies van de Raad van State, nr. 1676/5. - Amendementen, nrs. 1676/6 en 7. - Verslag, nr. 1676/8. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 1767/9. - Amendementen, nr. 1676/10. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 1676/11. Parlementaire Handelingen.- Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 21 en 22 oktober 1998. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 1-1127/1. - Ontwerp niet geëvoceerd, nr. 1-1127/2. | |||
| Begin | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef |
| Parlementaire werkzaamheden | Inhoudstafel | 266 uitvoeringbesluiten | 24 gearchiveerde versies |